HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 121

JPEG (Deze pagina), 933.95 KB

TIFF (Deze pagina), 7.90 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

IIQ i
Q verwacht worden; het uitspreken van het beginsel moet hier
‘ voldoende zijn.
l De boven ontwikkelde bezwaren tegen de opleiding van
jj onderwijzers gelden wel niet alle, maar toch grootendeels
M ook voor de opleiding der leerkrachten voor het voorbereidend l
onderwijs, en dan in veel sterker mate. Ik mag hier niet
uit ervaring spreken en niet als deskundige optreden, maar j
het komt mij niettemin ongerijmd voor, dat men geen goed l
leidster van eene voorbereidende klasse zou kunnen zijn, I
zonder na ·eene 3-jarige H. B. S. een 6-jarige kweekschool |
te hebben doorloopen. Het intellectualisme heeft hier, meen I
ik, de meerderheid der Commissie parten gespeeld. Alge- ·
me-ene beschaving, fijn gevoel, kinderkennis en bovenal kin- l
derzin zijn ongetwijfeld onmisbare ·C`ig€¤SC1iapp.€¤ in de on- q
derwijzeres der voorbereidende school, maar ik acht het eene I
dwaling, te meenen, dat deze uitsluitend of zelfs bij voorkeur 1
langs den weg van wetenschappelijke studie zouden zijn te ä
verkrijgen. ä
3e. 7Vaar het Rapport over de wetgevende macht der
schoolvergaderingen handelt, en de inrichting der lagere school
vergelijkt met die der middelbare school en 'het gymnasium, `
daar is één kenmerkend verschil uit het oog verloren, namelijk
dit, dat de lag­ere school klassenonderwijs en de voortgezette
school vakonderwijs geeft. Het eerste gevolg van dat
i onderscheid is, dat op laatstgenoemde onderwijs-inrichting j
iedere leeraar met alle of bijna alle leerlingen 'in aanraking
komt, terwijl de lagere onderwijzer alleen zijn eigen leerlingen j
kent. Een tweede gevolg er van is de onafhankelijkheid ï
; der leeraren onderling. VVie Fransch onderwijst, heeft in den
regel geen oordeel over de eischen van het onderwijs in 1
l scheikunde of boekhouden , de leeraren staan als onafhanke- l
l lijke grootheden naast elkaar, en samenwerking, voor zoo-
1 verre die noodig is, kan alleen het gevolg zijn van samen- j
spreking. Daarom zijn schoolvergaderingen noodig, waar de j
algemeene belangen ·der school besproken worden en het
is vanzelfsprekend, dat die vergaderingen omtrent de weinige
gemeenschappelijke onderwerpen, die daar aan de orde komen,
jj wetgevende macht bezitten. Zoo is de toestand reeds op
p het oogenblik. Dat men daar geen klachten van verneemt,
zooals het Rapport zegt, mag waar zijn, voor zooverre deze
klachten ni­et naar buiten doordringen, maar wien wel eens
een blik binnen de school gegund is, weet, `dat het paedago- l
gisch gehalte van meer dan een H. B. S. of gymnasium er ä
lg ü