HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 119

JPEG (Deze pagina), 928.89 KB

TIFF (Deze pagina), 7.91 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

II7
het middelbaar onderwijs bestemd is en waarin het zijn recht-
vaardiging vindt. Mocht het echter mogelijk zijn, ook na dezen
grooten aanwas, de H. B. S. te handhaven op het peil,
waarop zij staat, of waarop zij althans behoort te staan, {
dan zou nog kleiner percent het einddiploma behalen en er
zouden veel te weinig onderwijzers worden aangekweekt.
Dat alles klemt nog te meer, indien men er op let, dat
de Commissie dezelfde eischen wil stellen aan de onder-
wijzeressen; ook deze zullen in de toekomst allen een eind-
diploma H. B. S. 5 c. moeten trachten te veroveren.
Nu zijn er reeds sinds tal van jaren m'eisjes op de H. B. S. j
voor jongens toegelaten en ieder jaar slaagt een zeker aantal j
van haar voor het eindexamen, maar het kan toch door 4
geen der zake kundige weersproken worden, dat in het alge- j
meen genomen - en het recht op weinige uitzonderingen
-open lat·ende -- die H. B. S. niet de meest geschikte op-
leiding geeft voor het meisje tot haar I7’€ of 18e jaar. Ik i
houd het er voor, dat uit eugenetisch oogpunt die studie
aan verreweg de groote meerderheid onzer opgroeiende 1
vrouwelijke jeugd moet worden ontraden.
Nu is ’t waar, dat het Rapport aan het einddiploma van ä
het gymnasium dezelfde rechten wil zien toegekend als aan
dat van de H. B. S., zoodat de meisjes, die tegen een
ov·erwegend wis- en natuurkundige studie opzien, in pla.ats
daarvan de studie der klassieke talen kunnen kiezen. Ik [
acht het waarschijnlijk, zonder het strikte bewijs te kun- l
nen leveren, dat de gymnasiale leergang aan de meisjes
minder moeilijkheid in den weg zal leggen, dan die van de
H. B. S., maar ook na deze verruiming acht ik het ten E
eenenmale onmogelijk, dat de helft zou kunnen klaar komen j
van het zich steeds uitbreidende aantal onderwijzeressen, dat j
d·e lagere school noodig heeft.
Gelukkig behoeft dat vaste geloof in de onmogelijkheid
der doorv·oering van de plannen der Commissie mij geenszins j
te beangstigen, want ik ben van oordeel, dat zulk eene op- l
leiding ook volstrekt onnoodig is. Er is op de lagere school
velerlei werk te doen, maar daaronder is heel wat, ’t welk
best door een goeden leerling der hoogste klasse kan wor-
den verricht en voorheen dan ook verricht werd. Zulk
een toestand behoeft men niet terug te wenschen, al zou
ik niet weten, wat er in kleine één- of tweemans-school-
tjes tegen te zeggen zou zijn, maar men kan toch toestem- l
men, dat men voor het geven van aanvankelijk lees- en
rekenonderwijs, voor het corrigeeren van eenvoudige dicteetjes