HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 114

JPEG (Deze pagina), 946.76 KB

TIFF (Deze pagina), 7.95 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

ll

l"
il;
sil
tiel .

112
Hi
ii
aan de schoolvergadering wensen op te dragen. 1) Vergelijken
;]‘ wij echter de praktijk van het lager en het voortgezet (mid-
delbaar en gymnasiaal) onderwijs, dan wordt dit verschil in
ii» streven voldoende verklaard. Bij de genoemde inrichtingen
van voortgezet onderwijs is de direkteur tevens leraar in een
bepaald vak, zoals ook de andere leraren. Hij, zowel als zijn
it kollega’s, hebben ieder hun afgebakend terrein en het komt
niet in hen op te tred·en op het gebied van een ander, een-
voudig, omdat zij daartoe de bevoegdheid missen. Dat maakt
het voor de direkteur gemakkelik, maar ook noodzak·elik,
zich strikt te houd-en binnen de grenzen van zijn taak als
§§’ algemeen leider; ook als hij het zou willen, zou hij zich
geen inmenging in het onderwijs van zijn medeleraren kunnen
‘ veroorloven.
* Bij het lager onderwijs is dit anders. Het hoofd van de
, school heeft verstand van alles, wordt althans door wet en
1 verordening verondersteld verstand van alles te hebben. Zich
strikt houdende aan zijn wettelike bevoegdheden weet hij
Q door de autoriteiten gesteund te zullen worden, als hij zijn
wil oplegt aan het personeel en tot in de kleinste biezonder-
p heden aan ieder van hen voorschrijft, wat hij te doen en
te laten heeft. Ook met een wetgevende schoolvergadering
is zulk een optreden, zij ’t dan ook in mindere mate,
QQ mogelik - want binnen de grenzen van het leerplan
jj blijft er ruimte voor velerlei persoonlike opvatting -
gv en duurt dus de mogelikheid voort van wrijving en botsing,
van dagelikse ergernis, van de goede geest in de school en
· de resultaten van het onderwijs schadende konflikten.
i Biedt nu het stelsel van benoeming door de autoriteiten
buiten het personeel om de waarborgen, dat personen aan
lg het hoofd der school zullen geplaatst worden die èn door
ig, hun kennis en ervaring èn door hun karaktereigenschappen de
plaats waardig zijn, die zij geroepen worden in te nemen?
Geen enkele. Hoe zou het ook? Autoriteiten immers kennen
de personen der onderwijzers niet, uit wie zij kiezen moe-
i ten. Zij laten hen meestal een opstel maken over het zoutgehalte
ik van de Oostzee, voeren ook wel met hen een ,,wetenschap-
pelik" gesprek en zien ze ten slotte zich uitsloven als proef-
lessende kunstenmakers, maar dat alles zegt hun niets omtrent
Lg; datgene waar het op aankomt, de mens, de persoon.
Daarover kunnen alleen zij oordelen, die hun gegevens put-
1) Overigens is het ook bij ’t middelbaar onderwijs niet zulk een
grote zeldzaamheid, dat de leraren verzoeken om een uit hun midden
tot direkteur te benoemen.

iylï
ij.,
iï'»°
Ei
F:
Mi
`I
ll , .