HomeDe uitwerking van het nieuwe art. 192 der grondwetPagina 101

JPEG (Deze pagina), 913.69 KB

TIFF (Deze pagina), 7.91 MB

PDF (Volledig document), 110.98 MB

Y
l
, l
l
I
l
99
te regelen. De moeilijkheden toch, die zich voordoen doordat
ouders bezwaar maken hun kinderen een school voor tuch- i
telooze of achterlijke kinderen te doen bezoeken, zijn hier j
niet tc vreezen, en bovendien heeft ten opzichte dezer leer-
lingen hun afzondering van het gewone onderwijs uitsluitend
in hun eigen belang plaats, niet in dat van hen zelf en in het l
belang der klasse tevens. Mochten dus de ouders de voor-
keur geven aan een gewone school voor hunne meer begaafde
' kinderen, dan behoeven daartegen van den kant der school j
geen maatregelen te worden genomen. In de verschillende .
rapporten, die in Nederland over de invoering van het
Mannheimer stelsel zijn verschenen, is dan ook nergens sprake
van maatregelen, om dit onderwijs mogelijk te maken voor
zoover het de meerbegaafden betreft. Hetzij men dus dit
stelsel of wel een ander stelsel van onderwijs voor meer
begaafden wenschelijk acht, men zal zijn wenschen in dit
opzicht kunnen verwezenlijken, ook bij behoud der bestaande
onderwijswetgeving.
§ 19. Beroepskeuze.
Het vraagstuk van de beroepskeuze heeft in de laatste jaren j
meer en meer de aandacht getrokken, zoowel in het buiten-
land, speciaal Amerika, Duitschland en Engeland, als ook
in Nederland. In ons land zijn het in `t bijzonder de arbeids- A
beurzen en de Vereeniging tot Bevordering van de Vakop-
leiding voor Handswerklieden geweest die zich met dit vraag-
stuk hebben bezig gehouden. In den Haag, Rotterdam,
Haarlem, Arnhem, Groningen, Hilversum zijn adviesbureaux
voor beroepskeuze tot stand gekomen, in verschillende andere l
plaatsen zijn zij in voorbereiding. Bijna overal is het initiatief
uitgegaan, van lichamen als de genoemde. Dit feit kan zeker
niet bevreemden, wie toch komt sterker dan de leider eener
arbeidsbeurs in aanraking met de moeilijkheden, die beroeps-
keuze op ontoereikende of verkeerde motieven schept? En l
wie kan, gelijk hij, zijn adviezen voor betere keuze gronden j
op veelzijdige kennis der verschillende bedrijfsverhoudingen
j en bedrijfsvooruitzichten? Daarmede is reeds gezegd, dat de
oplossing van het probleem, dat de beroepskeuze stelt, niet l
geheel, ja zelfs niet in de eerste plaats van de school mag l
worden verwacht.
Desniettemin is naar het oordeel van allen die zich met de
beroepskeuze hebben bezig gehouden, de medewerking der l
school onontbeerlijk. Want kent de leider der arbeidsbeurs 1
l
·.