HomeBrief van Zijne Excellentie den Minister van Marine, van den 14den september 1849, aan den Heer Voorzitter van de Tweede Kamer dPagina 6

JPEG (Deze pagina), 537.94 KB

TIFF (Deze pagina), 6.39 MB

PDF (Volledig document), 15.14 MB

4 Q
Thans, daar deze zitting haar einde nadert, ik door
ongesteldheid verhinderd, de vergadering niet meer heb
kunnen büwonen , en, ingevolge mijn verzoek, eervol uit i
müne betrekking als Minister van Marine ben ontslagen, i
zou ik toch ongaarne den schijn op mij laden, als of ik
onttrokken had aan l1et antwoorden op eene inter-
pellatie , door een’ der Leden dezer Kamer gedaan. Ik
heb daarom emeend van den ebruikelïken we te mo- ,
> g
gen afwüken, en het antwoord, dat ik voornemens was, j
ter gelegener tüd in de Kamer voor te dragen, hierbü aan j
U Hoog ­VVelgeboren toe te zenden, om het ter Grillio ·
te deponeren, of daarvan zoodanig gebruik te maken, als
U Hoog­VVelgeboren zal vermcenen te behooren.
Alleen moet ik verzoeken, dat aan de bijgevoegde lüst
der Adelborsten, die voor geheele of gedeeltelijke rQks­
rekening het onderwüs genieten, geene publiciteit worde
gegeven, en alleen blüve ter beschikking van zoodanige _
Leden der Kamer, als daarvan kennis zouden willen
nomen.
mz iixrmrsrexi van mimm
(was get:) J. C. RIJK. *
Jan dan Hoer V<;m·zitier wm de Tweede
Kamer dar Smlcu­G0nemaZ.
E
s

~·· z»
tg
tx
r,
l.



l
?

L
F

i
i
li
l