HomeEenige beschouwingen over spoorwegenPagina 9

JPEG (Deze pagina), 622.34 KB

TIFF (Deze pagina), 5.73 MB

PDF (Volledig document), 13.83 MB

l
F.
j 9
111.
OVER DE RIGTING DER LLTNEN, EN OVER HUNNE LENGTE.
1 Bij de rigting moet vooral gelet worden op het standpunt,
van hetwelk men denkt uit te gaan. Een voorbeeld zal dit
V duidelijk maken.
` De Heer DE Bnonwnn VAN HoeENDo1u> vroeg en verkreeg
in 1856 voorloopige concessie voor den aanleg van een
spoorweg van Zevenaar naar Rheine, lang op Nederlandsch
gebied 80 mijlen. De aanleg van den weg was berekend
op f 60000 de mijl of op 48 ton; voor het materieel was
¥ 12 ton of 15000 de mijl bestemd. VVerpt men een blik
op de kaart, dan ziet men dat die lijn eene goede verbinding
1 voor Amsterdam en Rotterdam met Rheine en geheel Noord-
Duitschland gaf. Zevenaar ligt circa 13 mijlen van Arnhem
de grenzen in de rigting van Rheine kwamen dus langs die
lijn 93 mijlen van Arnhem en 151 mijlen van Utrecht te liggen.
Deze lijn was, uit het oogpunt van den concessionaris
1 gezien, goed gekozen, omdat deze zozzcler garantie accá saó-
j sidie die lijn wilde daarstellen, en het kapitaal werkelijk
V gevonden was, grootendeels in Amsterdam, verder met deel-
1 neming van het Koningrijk Hanover, de gemeente Enschede,
1 particulieren aldaar en in het Zutphensche, enz. Maar uit
j het algemeen belang beschouwd, was die lijn verderfelijk,
ti omdat zij de mogelijkheid uitsloot om van Arnhem langs
L Zutphen, Deventer, Zwolle en Kampen, of van Zwolle naar
i Enschede spoorwegen aan te leggen. WVel kon men die
i lijnen op eene kaart teekenen en onder allerlei klassen bren-
gen, zooals de regering dan ook deed bij haar bekend voor-
stel van dulij 1857; maar aan de uitvoering viel niet te
i denken. 1/Varen toch eenmaal Amsterdam en Rotterdam
met Rheine verbonden, dan stond het te vreezen dat nimmer
rijks­bijdragen zouden te bekomen zijn voor eene verbinding