HomeEenige beschouwingen over spoorwegenPagina 6

JPEG (Deze pagina), 643.17 KB

TIFF (Deze pagina), 5.74 MB

PDF (Volledig document), 13.83 MB

5 Q
II.
VERGELIJKINGEN.
Men zegt wel eens dat alle vergelijkingen mank gaan. E
Zeer zeker is dit dikwerf het geval, vooral in zaken van
statistiek, waarin de aard van het land veel invloed uitoefent.
Laat men dan deze buiten beschouwing, dan kan men voor-
zeker tot vreemde gevolgtrekkingen komen. Noord-Holland
bijv. levert bij een oppervlak van zooveel bunders, zooveel
millioen ponden kaas en boter op; dus zullen Overijssel,
of Pommeren of de Ardennen, naar evenredigheid van hun
oppervlak, zóóveel pon«len moeten opbrengen. Java levert
zóóveel picols koffij, dus Urk naar evenredigheid van zijn
i oppervlak zóóveel. Dergelijke gevolgtrekkingen worden
j werkelijk gemaakt, en vele vergelijkingen der Regering
omtrent de opbrengsten van spoorwegen in België, waaruit
dan weder besluiten worden getrokken voor de vermoedelijke
opbrengst, hier te lande, rusten op geen betere basis.
Tot voorbeeld strekke de aanhaling door de Regering der
Belgische spoorwegen, als bewijs der stelling: dat het locale j
vervoer méér opbrengsten geeft dan het internationale. Eene
vergelijking die meer mank gaat dan deze is, de stelling
zelve daargelaten, niet wel denkbaar. De herinnering aan '
een paar punten zal dit in ’t licht kunnen stellen. {
De bevolking van België bedroeg op 31 Dec. 1856
1544 inwoners op 100 bunders, in Nederland 100, dus veel
minder. Laat men de provinciën Luxemburg en Limburg
buiten rekening, dan klimt de bevolking der andere pro-
vinoiën van België, weer /toofclzn/Belg/c spoorwegen liggen,
tot 189 per 100 bunders. Maar in Nederland bezitten L
Holland en Utrecht reeds spoorwegen; zondert men die A
twee provinciën af , dan blijft de bevolking in dat gedeelte
des lands dat spoorwegen nrggen zal, slechts 78 op 100 bnn- E