HomeEenige beschouwingen over spoorwegenPagina 20

JPEG (Deze pagina), 598.12 KB

TIFF (Deze pagina), 5.80 MB

PDF (Volledig document), 13.83 MB

s
20 '
T dat gelijktijdig de dijken boven de brug, buiten kosten der
dijksbesturen, verzwaard worden. Zagen deze de zaak goed
in, zij moesten (natuurlijk behoudens de noodige voorzorgs- ‘
maatregelen), den bouw eener brug als eene gewenschte
A zaak met alle krachten ondersteunen.
i Ten slotte een enkel woord over de Noorder­Lekdijken.
Toen de rivier­commissie van 1821 de verzwaring dier dijken
voorsloeg, adresseerde zich het collegie van den Lekdijk
bovendams tot de regering en beweerde dat, sedert 1765,
de dijk zeer goed was. De Inspecteurs van den waterstaat .j
raadden in 1850 nogmaals die verzwaring aan. De eerste
rivier-commissie had de som noodig om de dijk in goeden
toestand te brengen, op 2200000 geraamd. De tweede
rivier-commissie achtte dan een doorbraak tusschen Amerongen
en Krimpen mensohelijker wijze onmogelyk. De inspecteurs
geloofden dat er in 1850, nog 1 à là millioen tot berei-
king van dat doel noodig is. Neemt men nu in aanmerking _
dat slechts der dijkslengte boven de Kuilenburgenbrug “‘$
komt, dan blijkt het dat, bij de tegenwoordige reusachtige
ontwerpen, die volmaakten toestand des dijks boven de
brug ligt te bereiken is.
IX.
VEEGELIJKING VAN TWEE ONTWERPEN.
Twee ontwerpen staan tegen elkander over. Welk is het
minst nadeelige voor den Staat.
De Regeringsvoorstellen bevatten de lijnen:
1°. van Harlingen over Groningen en Zwolle naar Arnhem,
met twee zijtakken, van Zwolle naar Kampen en van Zutphen
j naar Duitschland.
2°. van Rotterdam langs Dordrecht en Breda naar Tilburg,