HomeEenige beschouwingen over spoorwegenPagina 18

JPEG (Deze pagina), 626.63 KB

TIFF (Deze pagina), 5.77 MB

PDF (Volledig document), 13.83 MB

18
VII.
BEGROOTINGEN.
Men let namelijk algemeen te weinig daarop, dat een
spoorweg tusschen twee plaatsen, bijv. tusschen Arnhem en
Zutphen, niets minder dan een onveranderlijk geheel is ; een
spoorweg is niet de spoorweg. Er zijn tusschen beide punten
« een oneindig getal rigtingen mogelijk. Ben ik vóór die lijn,
dan is het mogelijk om met ééne brug bij Zutphen en met •
den aankoop van slechts een paar boeren huisjes, de spoor-
weg aan te leggen, zonder grootere bogten dan van 500 à
2 1000 el straal, zonder grootere hellingen dan van 1 tot 200.
Wil ik de lijn niet, dan is het, met een öeeye geeden wil,
; mogelijk om vijf Llsselbruggen in het ontwerp op te nemen; 1
immers om van Arnhem naar Doesborgh te komen, moet A
tweemaal de Llssel worden overgegaan tegenover de Steeg;
en om van Doesborgh weder naar Zutphen te komen, zijn
eerst (als men wil) tegenover Dieren twee Llsselbruggen
noodig en nog eene vijfde bij Zutphen. Is het, om de een
of ander reden volstrekt noodzakelijk om Doesborgh aan te ·
doen, en men wil de lijn wel, dan maakt men bij Giesbeek ­
de zoo lang gewenschte Usselcoupure van Passavanr (1697) A
en legt dammen met brugjes of duikers door de nu j
vervallen 1[lsselarmen; wil men de lijn niet, dan bewijst
men dat die coupure onmogelijk is, en de daken der A
huizen te Zutphen of Deventer onder zouden loopen,
als men de bovenrivier zoo veel verkorten wilde. Met de
onteigening is het nog erger, als men de lijn wil, kan men j
A die zoo inrigten dat weinig huizen geraakt worden, maar
dat eischt eenige studie en overleg, en dan wordt de lijn zelve iets
bogtiger. Het kost daarentegen volstrekt geen moeite of 50
of 100 huizen of buitenplaatsen in de lijn te brengen, de
li onteigeningssommen tot millioenen op te drijven, en dat alles