HomeEenige beschouwingen over spoorwegenPagina 13

JPEG (Deze pagina), 586.39 KB

TIFF (Deze pagina), 5.77 MB

PDF (Volledig document), 13.83 MB

13
Er zijn slechts twee eenigzins gegronde aanmerkingen
tegen den spoorwegvierhoek te maken; zij zijn
1°. Dat er, bij het aannemen van zulk een uitgebreid
net, te weinig oppervlakte van het land voor landbouw
overbleef.
(Hevige voorstanders der regering bestreden dit bezwaar
met de opmerking: dat de grasverpaehting van de kruinen
der spoorwegdijken veel zou opbrengen.)
2°. Dat, bij de toepassing van dit stelsel door ’t geheele
XV land, al de ijzerfabrieken van Europa in geen twintig jaar
de noodige rails zouden kunnen leveren.
Toen echter de Zevenaarsche weg overleden was, ten spijt
(of ten gevolge i’) der regerings hulp, kwam in alles verande-
ring. De onmogelijke lijn langs Zutphen, de onmogelijke brug
< aldaar werden mogelijk. Ja in September 1859 wordt het
zelfs mogelijk om, naar het voorstel der Llsselsteden van
1857, de lijn tot Delden te doen uitbuigen.
In 1859 is dus eindelijk de regering gekomen op het
standpunt, waarop vijf steden in 1857 stonden. Maar is
4 dat een goed regerings­standpunt? Dat is zeer te betwijfelen.
De eoneessionaris van de Zevenaarsche lijn had, van zijn
standpunt gezien, gelijk, met van Zevenaar uit te gaan, toen
het gouvernement hem niet eenmaal de brug over den Ussel
als subsidie aanbood voor eene, in het algemeen belang,
betere weg van Arnhem of Ede naar Rheine. De steden
hadden, uit hun standpunt gezien, gelijk door al hunne
steden in de lijn op te nemen, en de Duitsehe lijn van
Zutphen te doen uitgaan om aan Holland zelfs het voor-
wendsel van een omweg te ontnemen. Maar op de weg der
Regering had het gelegen de zaak uit een hooger standpunt
te overzien.