HomeGodsdienst en zedelijk levenPagina 42

JPEG (Deze pagina), 566.91 KB

TIFF (Deze pagina), 5.49 MB

PDF (Volledig document), 30.54 MB


34
` sacra); zelfs aan slaven onthoudt hij den naam van men-
schen niet; en toch weet hij een gemeenzamen omgang
A ` met hen niet anders aan te bevelen dan, in den trant van
`I I Job, door de opmerking, dat zij evenals ieder ander geboren
' ` worden, leven en sterven (Epist. 47, 95). Plato en Aristo-
teles koesteren verheven gedachten omtrent ’s menschen .
j ` wezen. Met het oog op de rede, als hoofddeel onzer ziel,
l X erkent de eerste onze verwantschap met de godheid; maar
j hij denkt er niet aan, dienvolgens den slaaf gelijke men-
I schenreehten als den vrijen toe te kennen, of hem op een .
‘ anderen dan een gebiedenden toon toe te spreken (Protag. i'
i` p. 322; Tim. p. 90; Resp. DC, p. 580; Leg. VI, p. 777;
IX, p. 865). Aristoteles leert, dat de mensch den aanleg, de
j natuurlijke geschiktheid, heett 01n zich de deugd te verwer-
` ven; en van de slaven zegt hij (Ethic. Nic. II, c. 1; I
I Polit. I, c. 2, 5): » Zij wier werk slechts bestaat in het ‘
p V gebruiken van het lichaam, terwijl er niets beters van hen
gg is te verwachten, zijn slaven van nature. Him aanleg reikt =
niet verder dan tot vervulling van hun slavenplicht noodig
V is". - Hoeren wij bij Israël (Genes. I. 27, 28), dat God `
den mensch schiep naar zijn beeld, dan beteekent dit een-
? voudig, dat God óf zijne gestalte aan den mensch gaf, óf
{ j de heerschappij over de visschen der zee, en over het ge- Q
vogelte des hemels, en over al het gedierte dat op de aarde
kruipt. Wordt er in Handell. XVII: 28 herinnerd, dat eenige
A Grieksche dichters den mensch van hetzelfde geslacht als
de goden genoemd hebben, dan dient er bijgevoegd te wor- i
l 1