HomeGodsdienst en zedelijk levenPagina 41

JPEG (Deze pagina), 579.66 KB

TIFF (Deze pagina), 5.49 MB

PDF (Volledig document), 30.54 MB

33
ling de ongeschreven en onwrikbare wetten der goden zou
ll mogen overtreden. Deze wetten zijn toch niet van heden,
n0cl1 van gisteren, maar leven altijd voort, en niemand kont
hare eerste dagteekening? Met deze uitspraak kan men de
daad van Rizpa vergelijken volgens 2 Sam. XXI, waar wij
eene moeder nacht en dag de lijken harer zonen zien
beschermen tegen de roofvogels, waaraan ze door een bevel
des konings zijn prijsgegeven.
De practische roeping der individuen ging nergens de
eischen van het volksbeginsel te buiten: in het vervullen
van deze eischen bestond hunne zedelijke waarde. Dat ieder
mensch, zonder onderscheid, reeds als mensch, om zijnen
aanleg tot de edelste hoedanigheden, zedelijke waarde heeft,
werd door de oudheid niet begrepen. Het afzonderlijke volks-
bestaan kweekte slechts volksbewustheid, geen algemeen
menschelijke bewustheid. Zoo wij soms bij wijzen of dich-
ters, in hunne denkbeelden over den mensch, iets van meer 1
echt-menschelijken geest aantreffen, dan heeft dit of een 1
physischen, óf ten minste een beperkten zin. Karak- W
teristiek is hun oordeel over slaven. De Israëlietische J ob
beroept zich (XXXI: 13, 15) op de goede gezindheid, die
hij zijnen slaven betoont: >> Zoo ik versmaad heb het recht
{ mijns kneehts of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden
met mij ;" en als grond voor deze gezindheid geeft hij aan: ï
»Hecft hij niet, die 1nij vormde, ook hen gevormd, en een 1
ons in den moederschoot bereid ?" De Romeinsche aanhanger
van de Stoa, Seneca, noemt den mensch iets heiligs (res
i
i
H
1
tw