HomeGodsdienst en zedelijk levenPagina 39

JPEG (Deze pagina), 594.85 KB

TIFF (Deze pagina), 5.43 MB

PDF (Volledig document), 30.54 MB

I
Ii
I
p 31
I
_ toenl ging het ons goed en zagen wij geen kwaad. Sinds
wij daarmede hebben opgehouden, hebben wij aan alles ge-
I brek gehad en zijn wij door zwaard en honger vergaan?
Als aan Israël herinnerd wordt, zooals bijv. Jos. XXIV, wat
§ zij door Jahwe waren geworden en van hem hadden ont-
vangen, waartoe moest deze herinnering anders dienen, dan
om hen, tegenover andere goden, Jahwe’s recht op hunne
gehoorzaamheid te doen beseffen, d. i. om hun rechtsgevoel
I uitsluitend voor hem op te wekken? - Dat Socrates, door
Aristophanes als nieuwigheidszoeker en bederver der zeden
aangevallen, door de Atheners als zoodanig werd veroordeeld,
vloeide ongetwijfeld uit hetzelfde gevoel ten aanzien van de
goden voort. De staatsgoden hadden recht op ’s volks eer-
biedige hulde. Waar moest het met den toch reeds geteis-
terden staat heen, indien het recht der goden zoo geheel
werd geschonden als nu Socrates, naar de volksmeening,
bedoelde? Hetzelfde gevoel bewerkte, ten minste allerwaar­
sehijnlijkst, dat Euripides in zijne Baechant en openlijk als I
' verdediger van den overgeleverden godsdienst optrad, om zich
tegen de verdenking van ongodisterij te rechtvaardigen. - Wordt
het practische leven nog dermate door juridisch rechtsgevoel
beheerscht, dan pleit dit niet voor de ontwikkeling van het
` zedelijk gevoel. Dat anderen, Israëlieten en Grieken, zich tot
hooger zedelijk standpunt wisten te verheffen, hebben ter I
eene zijde de profeten, ter andere zijde de moralisten be- I
wezen. Toch bleef ook voor hunne bewustheid de idee van goed
en kwaad gebonden aan de leiding van het volksbeginsel,
1
I
I