HomeGodsdienst en zedelijk levenPagina 30

JPEG (Deze pagina), 529.01 KB

TIFF (Deze pagina), 5.49 MB

PDF (Volledig document), 30.54 MB

r
l
l
22 i

tochten door vrouw en kroost vergezeld. Zij slapen, waar E
de nacht hen overvalt, op of onder eenen boom., ls het koud
of de bodem vochtig, dan ontsteken zij een vuur en vleien
j zij zich neer in de warme asch. Hun onderling verkeer is
pi uiterst gering: zij leven op en voor zich zelven. Alleen als
j er een familielid of een vriend gestorven is, gaat een der
i overgebleven betrekkingen er op uit, met pijl en boog ge-
wapend, om uit een sehuilhoek een of meer Indianen, hunne
aartsvijanden, te dooden: want aan de boosaardigheid van
dezen wordt het geleden verlies toegeschreven. Eigenlijk
, gezegde menschelijke ontwikkeling is den Aöta’s nog vreemd.
Wat hebben wij nu gevonden, met het oog op godsdienst
_ en zedelijk leven? Een leven in betrekking tot Geesten ge-
heel geëvenredigd aan dat der stamgenooten in betrekking
tot elkander. Van plichtbesef nog geen spoor. Waar gehoorzaam-
heid of ontzag betoond wordt, zijn nood en vrees - het
· instinct van zelfbehoud ­ de drijfveeren. Hun onderling ‘
l verkeer, hun geheele toestand geeft hun geen aanleiding, ä
, om aan een intiemere betrekking, ook met de Geesten, be-
hoefte te gevoelen. ,
F a
iv;
””_'" l

Van de Philippijnen begeven wij ons naar Polynesië, en j
` wel naar de bewoners van de Tonga­eilanden, bij wie de
oorspronkelijke inrichting en gesteldheid van zaken het meest l
, ·j
'
<