HomeGodsdienst en zedelijk levenPagina 18

JPEG (Deze pagina), 568.17 KB

TIFF (Deze pagina), 5.48 MB

PDF (Volledig document), 30.54 MB

·« _ « . o V _ _ _ pg p p
l
?
10

I misch) in wettelijken geest, dan voortzet (overgang van hete- i
ronomie tot autonomie) uit plichtbesef, dan voleindigt (auto- ;
nomisch) als zijn eigen leven, geheel uit innerlijke aandrift 1).
Daarom zou ik zeggen: ,,Zedelijk leven is vrije zelf bepaling
in overeenstemming met plichtbesef:" - zoo komt ook het .
denkbeeld van vrije zelf bepaling, als autono mie, beter uit.
Het plichtbesef verliest inmiddels niets van zijn beteekenis.
Dit zou ook niet kunnen geschieden. Het vindt zijnen oor-
sprong in iets metaphysisch, een bij ons innerlijk bestaanden
drang, dien wij, in het volle gevoel van zijne werking, als
drang ten goede, als de werking eener heilige maehtinons, W
leeren begrijpen. Ik noem dezen drang metaphysisch, `
omdat hij, schoon geheel een met ons innigst wezen (imma-
nent), zelfstandig in ons werkt (transscendent), zonder van
_ ons af te hangen. Hierin ligt de factor, die den mensch tot `
een zedelijk wezen van nature maakt. Wij worden alzoo,
hetzij onbewust of desbewust, gedrongen tot hetgeen ons, in
de levensbetrekkingen waarin wij geplaatst zijn, past. Deze
innerlijke drang werkt, Kantiaansch gesproken, als een Ca- «
tegorische lmperativus, hoewel hij eerst in verband met de ,
l rede als iinperativus kan gelden. Zelf zegt hij niets,
maar onder den indruk, dien hij in ons verwekt, doet hij `
ons, door middel van onze rede, onze verplichting ten goede T
inzien. Zoo is hij, wat wij vertolken als een ,, gij mo`et" in
’l) Vgl. Scholten, Verhastering of ontwikkeling? in De
Tijdspiegel, 18%, n° 9, hldz. 7. v
ik W p _,