HomeGodsdienst en zedelijk levenPagina 13

JPEG (Deze pagina), 544.42 KB

TIFF (Deze pagina), 5.58 MB

PDF (Volledig document), 30.54 MB

lijke macht, die hij als de hoogste erkent. Ik zwijg
hier van ’s menschen bewustheid, niet omdat ik haar r
A buiten rekening laat, maar omdat reeds in mijne bepaling
· ligt opgesloten, dat de zaak niet buiten het bewustzijn
omgaat. ­ Tegen de uitdrukking »bovenzinnelijke macht"
oppert prof. Tiele de bedenking, dat daardoor de zichtbare
goden uitgesloten zouden zijn, zoodat hij liever van een
»bovenmenschelijke macht" spreekt 1). Deze bedenking is
Q waarlijk niet ongegrond. Er doen zich, in de geschiedenis
van den godsdienst, zichtbare goden voor. Zoo zegt Dr. J.
, W. G. van Oordt, in zijn werk: De godsdienst der _
Grieken, als hij over de elementen der Hoinerische goden-
wereld handelt: >> De zichtbare zon, de zichtbare en tastbare
rivieren, waren goden in het oog van den Griek" 2). Toch rijst
j bij mij de vraag: Was bijv. de zichtbare zon in het oog van
Q; dien Griek de zonnegod in eigen persoon, of slechts de
gestalte waarin hij leefde? Als hem, hetzij in een visioen
of op andere wijze, eene godheid verscheen, zag hij dan
« l haar zelve, of slechts eene gedaante die zij had aangenomen?
Tot deze vraag vind ik bepaald aanleiding in de opmerking
van Van Oordt, als hij over de Homerische voorstellingen
op godsdienstig gebied handelt: >> Nu spreekt het vanzelf,
4 dat men het wezen der goden (ook bij een volk, welks
aard er in alle deelen toe leidt, zich zijne goden geheelin
'l) Geschiedenis van den godsdienst, 1876, blz. 2 vlg.
2) Blz. 22.
0