HomeSpaarbankenPagina 11

JPEG (Deze pagina), 857.73 KB

TIFF (Deze pagina), 7.77 MB

PDF (Volledig document), 13.16 MB

i
l
ll
schade van den individu is niet het ergste, zij is voorbijgaande, maar
een blijvend kwaad zit in het voedsel, dat vele verkwisters daarin voor
hunne zorgeloosheid vinden.
Onder het stellen van deze beschouwingen gewordt ons, in het Alge-
‘ meen Handelsblad van 16 Nov. 1861 No. 9331, een ingezonden art.
i van A. F. Wij willen met hem boven allee het ingebragte kapitaal
gewaarborgd zien, daarom wenschen wij bij particuliere banken, de
' meest soliede belegging in fondsen zoo weinig mogelijk aan het afwis-
selen van koers onderhevig, en eene lage rente, daar speculatien bepaald
ongeoorloofd zijn en er dus alleen een reserve­fonds kan gevormd
i worden, door de hooger ontvangen dan uitbetaald wordende rente.
Doch welke voorzorgen men ook neme, het is zeker dat alle banken,
zelfs de meeste solide, (bij nieuw opgerigte, waar nog geen reserve-
fonds gevormd is, is het gevaar natuurlijk het grootst) blootstaan voor
omstandigheden, die de deelliebbers schade doen lijden of den tijd der
terugbetaling moeten doen vertragen; menschen van middelbaren leeftijd
hebben dat al 2 malen, in 1830 en 1848, beleefd; de Staats­spaar­
banken, die ik zoude wenschen te zien opgerigt, bieden op den voet
zooals ik aangaf, oneindig meer waarborgen aan dan de beste parti-
culire Spaarbank met het grootst mogelijk reserve­fonds. Om dien grooten
waarborg zonder schade voor het algemeen mogelijk te maken, droegen
wij de bevoegdheid voor om de betaling een geruimen tijd te kunnen
vertragen en stelden de rente vrij laag, want het is niet meer dan billijk
dat eene inrigting die in het belang van een deel des volks is opgerigt,
op den duur geene belangrijke offers aan het andere deel van het volk
_ koste. Heeft men het geluk de eerste jaren van het bestaan van zoo-
, danige inrigting, rustige tijden te beleven, dan moeten ook de sáoje/zïke
i resultaten zeer voordeelig zijn.
Het zoude, bd het oprigten van Staats­Spaarbanken, misschien over-
weging verdienen, of men de tegenwoordige Spaarbanken in wezen zoude
moeten laten; ik geloof niet, dat men regt heeft hen te sluiten, maar
meen, dat de wetgever allezins bevoegd, liever nog om het belang der
zaak verpligt is, aan die inrigtingen bepaalde regelen voor te schrijven,
of zelfs haar aan een bestendig toezigt van regeringswege te onder-
werpen. Dat, wat zich van dat laatste moge verwezenlijken, de deel-
neming in de particuliere banken, en zoodra de Staats-Spaarbanken in
werking zijn , niet zal toenemen, spreekt wel van zelf. Weinige banken
verheugen zich in eenen zoo grooten bloei en soliditeit als die te Go-
rinchem, en toch zoude ik de Staats­Spaarbanken, geschoeid op den
leest, als ik in breede trekken heb getracht aan te geven, boven alles
dus als eene heilige schuld, gewaarborgd door de geheele Nederlandsche