HomeHet karakter van het oud-testamentische verhaalPagina 14

JPEG (Deze pagina), 1.02 MB

TIFF (Deze pagina), 7.82 MB

PDF (Volledig document), 33.33 MB

5 l jr; g

E r
I [ * . «
_ legio. Maar ook allerlei vragen, die zich aan den m61‘lSCh V311
zelf voordoen, of die hem door anderen voorgelegd worden,
, vragen van religieuzen of van ethischen of van philosophischen
l { aard, die wij met abstracte uiteenzettingen zouden beantwoorden,
,§ _ worden door een ware of vakerverzonnen geschiedenis opge-
rl! j helderd. De Talmoedische Agädä - een woord, dat, om het
E g terloops op te merken, niet anders dan ,,vertelling" beteekent ­-­
L draagt bijna doorloopend dat karakter. Een geleerde wordt ge-
A vraagd naar bewijzen voor Gods almacht of Zijn wijsheid of
Zijn wereldbestuur; of de Talmoed werpt de vraag op: Waar- {
‘.g· om wordt de profetie van Bileam met een anderen term aange-
ri duid dan die van Mozes; waarom moesten, als de menschen ge-
l i zondigd hadden, ook de dieren bij den zondvloed verdelgd wor-
g rr ; den; waarom verlangt God, die immers de beschikking over de ëï
T, geheele wereld heeft, {dat Hem offers gebracht worden, en dui- Q
il‘` zend andere zulke meer of minder diepzinnige vragen. Door-
gaans wordt op die vragen geantwoord met een verhaal, een ,
j ii gelijkenis (maëal), dat of aan de werkelijkheid ontleend of vrij
l ·- verzonnen is. Dit gebruik van gelijkenis of parabel is ook uit het
_ j Nieuwe Testament welbekend. Het aantal van die Agadische ij
vertellingen loopt in de honderden. Vooral de vorm van den
dialoog wordt daarvoor graag gekozen. Het verdeelen van ver-
E schillende gezichtspunten of gemoedsstemmingen, van pro en
Q j . contra, van gevoelens van tweestrijd of twijfel of aarzeling over
twee of meer personen maakt de aanschouwelijkheid levendiger
en de voorstelling gemakkelijker. Gesprekken tusschen God en
Mozes, tusschen God en de engelen, tuSSCl^161’l 6611 Ioodsch g€·
leerde en een heiden, tusschen een philosooph en een kind en
j derg. zijn zeer talrijk. Ook in de latere litteratuur van het ]oden­
dom, vooral die van ethisch-didactische strekking, spelen de
,,geschiedenissen" een overwegende rol en zelfs de philosophen
maken van dezen vorm van gedachte­inkleeding een omvangrijk
gebruik 1). Men denkt hierbij van zelf aan de eigengemaakte rede-
voeringen en gesprekken, die b.v. ook de klassieke auteurs in
hun beschrijvingen van de geschiedenis vlechten. '
Eenigszins anders van karakter, maar toch onder dezelfde
l 1) Vgl. hierover A. S. Yahuda in zijn prolegomena tot Bachja’s Hidäjä.
L»€1Cl€I1, IQI2• P. IIO VV• ‘
ël 4
l


Ii,
tv l . `