HomeDe Belgische wet van den 29 October 1846, houdende: instelling van het Hof van rekeningen (Algemeene Rekenkamer)Pagina 28

JPEG (Deze pagina), 875.85 KB

TIFF (Deze pagina), 7.35 MB

PDF (Volledig document), 28.73 MB

1/ ’
ij `
ill
N j ­ 26 ­-
1 den 7 Maart 1846 ving de openbare discussie aan , die zonder alge-
; meene beschouwingen afliep. ­- Over de artikelen was de discussie soms
l zeer levendig, en daaraan werden onderscheiden zittingen gewijd. --
`; l Behalve denlllinister en den algemeenen rapporteur, namen daaraan deel
L I de heeren L1: Bmw, Dumoimisn , Osï, nn Gknem, ni: LA Cosrn, Desnm,
ij f mc Bnoucxaae, nn Muntnmnnn, Dnmntïe, n’HuAn·r enz. Vooral was
{ de strijd levendig tusschen den Minister van Financien en de commissie ·
van rapporteurs over art. 14 der wet.
Beide verlangden het_ voorafgaand visa der Rekenkamer tebehouden, E
maar de Minister wilde de bevoegdheid van het Hof van Rekeningen i
daarbij aan vaste regels binden. De commissie van rapporteurs wenschte l
' geenerlei beperking toe te laten, en dat gevoelen heeft de bovenhand
gehouden. Art. 14 laat het Hof` van Rekeningen onbepaald meester, ;
om zijn visa te weigeren, mits de redenen opgevende. Het artikel om- l_
schrijft de gevallen niet, waarin die weigering zou mogen geschieden. nl
i De magt van het Hof van Rekeningen is in zoo verre onbeperkt, en
toch is gewaakt tegen belemmering van de dienst door de sl0tbepa­
’ lingen van artikel 14.
De Minister had als amendement op art. 14 voorgesteld , de in- i.
W jassching eener § , aldus luidende: « Dit visa wordt toegestaan wan-
; i aneer het werkelijk bestaan der schuldvordering bewezen is, en het j
‘ ‘ B «HOF de regelmatigheid der aanwijzing van den begrootingspost heeft
«erkend.» Het was juist deze §, die door de centrale sectie uit het
ontwerp van het gouvernement in haar ontwerp niet was overgeno­ ?Q
f A men, zoo als wij reeds biervoren hebben gezien. Bij art. 17 nam
­ " de wetgevende magt, met bijna algemeene stemmen, de redactie van
‘ de minderheid der centrale sectie aan. Alleen art. 17, zoo als dit il
door die sectie was voorgesteld, en niet art. 14, zou de verant-
,5 woordelijkheid van het Gouvernement hebben kunnen ondervangen.
G M Het verdient opmerking, dat het alleen deze twee artikelen zijn,
i i ' die tot belangrijke beraadslagingen hebben aanleiding gegeven. De ii
l overige artikelen werden bijna allen zonder beraadslaging aangenomen.
i Het eerst had het woord de Heer Matou, Minister van Financien:
« Sedert 1830 was de vraag ot` het Hof` van Rekeningen van de nnt­
[ tilgheiel en van de wettigheid van zekere uitgaven moet kennis dra- lj
i `B gen, het onderwerp van eene brief`wisseling tusschen dat Hof en de
Ministers, die elkander hebben opgevolgd.
j Ǥ 2 van het ontwerp door het Gouvernement aangeboden, had [
I ten doel dit vraagpunt te beslissen, in den zin der waarachtige be-
i ginselen van orde en juiste afbakening der bevoegdheid voor de ver- ;
, schillende Staatsmagten.
g .
Ei
a