HomeDe Belgische wet van den 29 October 1846, houdende: instelling van het Hof van rekeningen (Algemeene Rekenkamer)Pagina 27

JPEG (Deze pagina), 857.69 KB

TIFF (Deze pagina), 7.38 MB

PDF (Volledig document), 28.73 MB

-·· 25 ­ ij _
j der << die wenscht, dat het toezigt van het Hof zich uitstrekke tot de acten
bum « van pensioen, die de schatkist voor langen tijd bezwaren. ‘
de, « De centrale sectie stelt dus vast, dat het toezigt door het Hof t
mu << van Rekeningen over het begeven der pensioenen uit te oefenen, een
« nieuw artikel zal uitmaken. Een lid stelt de volgende redactie voor
mu «(art. 17 der W/et): « «Het Hof` van Rekeningen houdt een dubbel
tm « tt van het register der pensioenen, ten laste van den Staat. De acten A
die J « « worden door het llot` geviseerd en geregistreerd; het viseren ge- `
cn, t auschiedt op de wijze als bij art. ld- is bepaald. » » j
mr Q «Dit opstel was gegrond op de raadzaamheid, om voor het toezigt
jd· << op het begeven der pensioenen , hetzelfile stelsel als voor de gewone
iig j u uitgaven aan te nemen. Het Hof te veroorloven om verder te gaan,
Cu « om de gevolgen van een door de uitvoerende magt verleend pensioen
T_ « tegen te houden, dit zou zijn getreden in de verantwoordelijkheid
ju, · « dier magt. De meerderheid heeft echter gemeend deze redactie niet 4
Bu « te moeten aannemen, grondde zich daarop, dat, wanneer een
at ec pensioen in weerwil van de opmerkingen van het Hof kon verevend
m lt « worden, de tusschenkomst der wetgevende magt, hij gelegenheid van 5
tr de beraadslagingen over de rekenwet, vruchteloos zou zi_jn , omdat: l
en « het moeijelijk zou wezen den belanghebbende een reeds genoten pen- · A
CB l asioen te ontnemen , waarop hij regt zou hebben verkregen, en omdat
G « het eveneens moeijelijk zou wezen tot de ministeriële verantwoor- j
) ii adelijkheid zijne toevlugt te nemen, door het te veel toegekende op j
jg · ¢ eden Minister te verhalen.
« De meerderheid was van gedachte dat het , in geval van verschil `
t { « van gevoelen tusschen het Bestuur en het Hot`, voldoende was dat
V « de belanghebbende zich op de Kamers kon beroepen. Deze had dan
_ ` « te beslissen. » t
Onder de volgende artikels gaf alleen art. 18 aanleiding tot de vol- _,
V gende vraag: alle derde afdeeling verlangt dat het getal der ambte- i
Q anaren, zoo mede hunne bezoldiging, bij de wet worde geregeld. » De
tt centrale sectie begreep echter « geene uitzondering te moeten maken -,
« voor het I1lof` van Rekeningen, daar de begrootingswetten een en
« ander , voor alle takken van bestuur vaststellen. »
, De Belgische Kamer heeft de gewoonte niet, de behandeling V
V der zaken op te houden door langdurige diseussiën over de wijze,
waarop zij zal heraadslagen. Zij werkt voort op de verrigtingen, in
eene vroegere zitting volhragt, ondanks rene tusschen beide komende
sluiting. De rekenkamer-wet werd den t9 [lanuarij 1844 aangeboden
De algemeene rapporteur (de heer on lllm n’A·r·reNnonE) bragt den 9.1
Mei 1844 verslag uit, en bijna twee jaren later, in de zitting van
eu '
rïf .
*4, «Z_ ` A ,·- _ M 4 , n_ nn _ _ lj