HomeDe Belgische wet van den 29 October 1846, houdende: instelling van het Hof van rekeningen (Algemeene Rekenkamer)Pagina 17

JPEG (Deze pagina), 831.35 KB

TIFF (Deze pagina), 7.26 MB

PDF (Volledig document), 28.73 MB

Il
2
i E I
­­· 15 ­-- ( 3
s
borg , dat ook later repressieve maatregelen, zoo noodig, in der daad ·
zullen genomen worden. Overeenkomstig deze grondregelen is de ‘
Belgische wet ingerigt, waaromtrent het een en ander, uit het ver-
handelde bij de wetgevende Kamers , alsnog hierbij wordt opgeteekend.
In het rapport over het wets-ontwerp , later als wet afgekondigd j
den 29 October *1846 , en opgemaakt door de centrale sectie uit de ,_
Kamer van Vertegenwoordigers (bestaande uit de Heeren Vrmm XIV
(voorzitter), Osv, Sreaivr, ne Gancra, nr: Sum, nr: Cmamv en nn
MAN D’AT'l`ENRODE, rapporteur­generaal,) den 2l Mei IS44 , leest men
onder anderen het volgende: ä
' «Tijdens de Grondwet van het oude Koningrijk der Nederlanden I
tc van kracht was , had de Koning het uitsluitend opperbestuur der l
tc geldmiddelen. I
« De ministeriële verantwoordelijkheid bestond niet. Ii
«De staatsrekeningen waren niet aan de beraadslagingen en de
« goedkeuring der Kamers onderwo1·pen.
I tc Een ondoordringbare sluijer bedekte het beheer van ’s Rijks à
« geldmiddelen. `I
« Het onderzoek van de Algemeene Rekenkamer geschiedde onder I
« het regtstreeksch toezigt van het Hoofd van den Staat , en dit on-
«derzoek werd nog meer krachteloos door een reglement op het
« beheer der Financiën , goedgekeurd Koninklijk Besluit van den
«‘24 October 1823, dat tot heden in België van kracht is gebleven.
« Het Belgisch Congres regelde het linancieel beheer op grondsla-
« gen, meer met het algemeen belang overeenkomende. t
« Die grondslagen waren de ministeriële verantwoordelijkheid, de _
« goedkeuring der wetgevende magt en de openbaarheid.
«Ons Staatsverdrag bepaalde zich niet tot de uitdrukking, er dat
« « geene belastingen konden geheven worden, dan uit kraehte eener wet;
er « Dat geene uitgaaf kon geschieden , wanneer zij niet door middel
« tt van geopende credieten door de wetgevende magt was toegestaan; »
«De Grondwet wilde daarenboven aan het land verzekeren, dat de
« inning en vooral dat het gebruik der gelden , door de belasting- j
aschuldigen opgebragt, plaats had, zoo als bepaald was bij de wet-
uten, die ze toestonden, Van daar ontstond art. 115 der Grondwet, ‘
« dat vordert , dat, ieder jaar , de rekenwet en de begrootingen worden °
« vastgesteld ; en dat daarin alle ontvangsten en uitgaven worden gebragt.
« Het is dan ook niet genoeg dat de begrootingswetten ter beschik-
ttking van de uitvoerende magt, bepaalde en in begrootingsposten A

I W
.5/I
;££lif’ I I ".>’I