HomeDe bioscoop en het onderwijsPagina 28

JPEG (Deze pagina), 780.15 KB

TIFF (Deze pagina), 7.02 MB

PDF (Volledig document), 38.13 MB

V. LEIDING EN INRICHTING.
” Wil men kunnen spreken van goed bioscopisch onderwijs,
dan zal er aan verschillende voorwaarden dienen te worden
voldaan door het onderwijs, door den leider, door de films,
door het gebouw en door de installatie.
j 1. HET ONDERWIJS. In den aanvang van ons eerste
hoofdstuk zeiden wij, dat de Schoolbioscoop niet de pretentie .
, mag hebben van te kunnen staan op de plaats van den
, klasse-onderwijzer. Zij mag dat niet in de allereerste plaats,
r omdat zij anders den man voor de klas zou storen in zijn
‘ moeilijke en zeer verantwoordelijke taak; in de tweede A
l j plaats niet, omdat dit tot allerlei zeer onaangename conflicten
n _ zou leiden, terwijl de Schoolbibscoop slechts goed kan g
I functioneeren bij volledige medewerking der klasse­onder­ ‘
wijzers en in de derde en voornaamste plaats niet, omdat
i dit in flagranten strijd zou zijn met de beteekenis van de ' I
, schoolbioscoop. I
i F De vraag zou zich kunnen voordoen, of het dan niet ‘
misschien het verkieselijkst ware, als e 1 k e s c h o o l
Q haar eigen bioscoop­installatiezouhebben. 4
i , De Afdeeling Den Haag van den Bond van Nederlandsche
Onderwijzers heeft eenige jaren terug in haar bioscoop- _
i rapport die vraag bevestigend beantwoord. Wij kunnen J
. ons levendig voorstellen, dat deze organisatie tot dit j
¢ antwoord gekomen is en wij behoorden ook tot degenen, die
X langen tijd meenden, dat dit eigenlijk de ideale toestand
, zou zijn.
[ 2 Want het ligt voor de hand, dat de bioscooples dan pas a
E li geheel een integreerend deel van het gewone onderwijs kan Q
; ë zijn, indien zij wordt gegeven door den onderwijzer der
ï leerlingen zelf, op het tijdstip dat hij daar voor zijne lessen E
E het meest behoefte aan gevoelt, met de onderwerpen, die §
E 22
E
E I