HomeBrief aan alle Nederlandsche Werklieden, leden en geen leden van de InternationalePagina 9

JPEG (Deze pagina), 498.69 KB

TIFF (Deze pagina), 5.09 MB

PDF (Volledig document), 15.97 MB

gl
l
j 7
l aandoen, maar dat varken is jaloersch. Jongens, je
l moest ook` eens kunnen zien wat een helder wijf
{ of ik heb. Toen ze voor de vierde keer -­ in de
E negen jaren, in ’t bed lei, toen was WOUt€l‘, de kleine
schreeuwert met zijn rottenoogjes, nog geen tien uren
_ oud, of ze had alweer vier wollen sokken gestopt, en
j nog al geen gaten! ­ Nee, zooals mün beste wüf den
boel bij elkaar houdt, daar weetje niet van; en ik
zeg, als ze van kapitaal spreken: daar zit kapitaal
in de armen van Jans. En toch geen houten, waar-
achtig niet: mollig als spek op de tong. Als alleman
li ` zoo’n vrouw had, dan was er geen armoe. Van een
A gulden maakt zij er twee; ook omdat zh vantwee uren
er vier maakt. Vroolijk is ze altoos; en als ze prut-
telt, dan is het alleen over de belasting op de zeep.
Maar alleman kan zoo’n vrouw niet krijgen, dat weet
‘ ik wel ; daarom en ook met dat beroerde gezuip heeft
er menigeen veel meer noodig dan Maar, is het mis-
schien door ziektens of dinksigheden dat je armoe hebt,
terwijl je werkt zooveel en zoo goed als je kunt, en
X, den boel niet vergooit of verzwendelt, dan zeg ik jon-
1 gens, zoekt als je loon te laag is en je met al je wer-
ken niet te eten hebt, in de redelükheid dat je wat
meer krügt. Jongens ik zeg in de reclclüklzeicl, want
of wü elkaar nou een loer willen draaien ofniet, anders
draai je je zelf den hals om, en daar heb je niks geen
pleizier van.
Onze kleine Albert was krek een jaar -­ ik weet het
I
l
l J