HomeBrief aan alle Nederlandsche Werklieden, leden en geen leden van de InternationalePagina 17

JPEG (Deze pagina), 485.19 KB

TIFF (Deze pagina), 5.16 MB

PDF (Volledig document), 15.97 MB

ii

ii
15
Wou jij zeggen Pietersen, dat dokter v. B.·van jou
gestolen heeft? zei ik.
Ja. G. v. d.l riep Pietersen. We zullen ze wel krij-
gen G. v. d.!
Toen jongens , wier ik er koud van , maar ik zweeg.
Dat zwijgen beviel Pietersen niet. Hij begon lastig te
worden en grof als riviergrint. ’t Liep zoo graveelig
_ dat hij zijn gezegde van >>knappe kerel" weerom nam;
ik was een ..... (het woord was te smerig zei meester ,
_l ik moest maar titteltjes zetten.) ` Best; maar dat andere
woord was eigenlijk nog gerneener hoewel het niet zoo
vuil was: ik was een verraderlijke Pietjak. - Nat
Pietjak is dat weet ik nog niet. ­­­ Zulke kerels , die
de goeie`zaak tegenhielden moesten goddorie, zei Pieter-
sen, al vooruit op d’r ziel hebben, en als hij mij ’t avond
` Y of morgen bg de kraag kon krijgen , dan zou hij zijn
eigen daarop trakteeren.
V De kameraads wilden het bijleggen , maar ik zei dat
er van bijleggen geen spraak was, omdat er niets bij
à te leggen viel. Maar toen we ’t politieburo voorbij-
­; kwamen , toen zei ik dat ie `t hooren kon: Zoolang als
g de eene werkman den ander nog bedreigt, is het goed
j dat ze dáar wacht houwen, en dat de heeren op ‘t bin-
Aj nenhof ook nog recht en gerechtigheid spreken.
" Nou vraag ik je jongens, als alles maatjes egaal-
N conirnun was , hoe zou je dan hulp krggen als je ziek
lei, en recht krijgen als een gemeene rakker je bij avond
of ontijd een loer had gedraaid?