HomeDe ontwikkeling der denkbeelden op sociaal gebied (1898-1923)Pagina 32

JPEG (Deze pagina), 942.53 KB

TIFF (Deze pagina), 7.80 MB

PDF (Volledig document), 30.62 MB

[
; 30 DE opbouw
' li
de toen levende generaties als ideaal voor oogen hebben ge- ;
¤ staan.
Van de idealen op sociaal gebied, die in het tijdperk, dat wij ti
thans herdenken, werden aangeprezen, wil ik slechts even bij C
de twee voornaamste stilstaan, ten einde ook daarmede de ont-
ii wikkeling der sociale denkbeelden in dat tijdperk te typeeren. 1
F De socialisten, die in 1897 hun stem voor het eerst - afgezien
van hun voorlooper Domela Nieuwenhuis - in de volksvertegen- A
i woordiging hebben doen hooren en die 25 jaar later bijna een E .
Q kwart van de zetels van de Tweede Kamer hadden veroverd, ä
hebben als panacee tegen de sociale euvelen, waarop zij met g
meer vuur dan eenige partij de aandacht hebben gevestigd, de ii
t socialisatie aanbev-olen. Daarnaast heeft de op dit oogenblik
{ talrijkste politieke partij in ons land, de Katholieke Staatspartij,
krachtens haar beginsel op sociaal gebied, het solidarisme, haar
vertrouwen gesteld in een stelsel van publiekrechtelijke bedrijfs- ij
organisatie.
j Die beide idealen zijn de belichaming van de beide ideeën, die, li
zooals ik hiierboven heb aangegeven, in de stroomingen van de
laatste 25 jaar het meest op den voorgrond zijn getreden: de
j. overtuiging, dat de overheid geroepen is op krachtige wijze
leidend in te grijpen tot oplossing van het sociale vraagstuk,
en de gedachte, die in verschillen­de opzichten tegenover de
socialisatie kan worden gesteld, maar die in andere opzichten
daarmede evenwijdiig loopt, dat de overheid, nadat zij op eco-
. nomisch en sociaal gebied krachtig heeft ingegrepen, moet terug- {
treden en een groot deel van haar taak moet overlaten aan de
, georganiseerde belanghebbenden. j
Wie een tijdperk uit de geschiedenis beschrijft, dat onmiddel-
lijk aansluit bij den tegenwoordigen tijd, moet de pen neerleg- l
gen, waar hij gekomen is aan het ondeelbaar korte oogenblik, j
_ waarop het verleden in de toekomst overgaat.
Omtrent die toekomst weten wij alleen dit met zekerheid, dat
zij anders zal zijn dan de tegenwoordige tijd en anders dan wij
ons haar thans kunnen voorstellen. Maar, hoe het eindoordeel
=Q der historie ook moge luiden over de denkbeelden op sociaal jj
gebied, die in de jongste kwarteeuw aan den dag zijn gekomen
- de historie moge de vèr gaande staatsbemoeiing, welke die