HomeHet regt van de Tweede KamerPagina 47

JPEG (Deze pagina), 571.54 KB

TIFF (Deze pagina), 5.55 MB

PDF (Volledig document), 31.75 MB

l
l
ii DE BEVOEGDHEID van DE TYVEEDE KAMER. 46 ‘
‘ eember 1863 door Mr. J. Heemskerk Az. tot den Y
g Minister van Koloniën gerigt, is juist de vraag M
t waarop ik nu in deze bladzüden, zooals hij vroeger l
in de Tweede Kamer, een bevestigend antwoord
tracht te geven. De waarheid van 1863 is de leu-
gi gen van 1866. Het geval van den Heer Stieltjes en
j het geval dat ons nu bezig houdt zijn volkomen
identisch, want bij beiden geldt het juist de regten
des Konings en als hoofd van de uitvoerende magt
i en als opperbestuurder van de Koloniën.
Ten slotte ­- want ik zou het getal antecedenten j
eindeloos kunnen vermeerderen ­- wijs ik u nog .j
op het prerogatief der Kroon om Ministers te benoe-
men. Wanneer er onderscheid konde worden gemaakt
tusschen heilige en minder heilige regeringsregten,
dan zou het regt des Konings om Ministers te be- "
noemen in de eerstgemelde eathagorie zeker vooraan j
staan. Immers terwijl de Grondwet het regt des j
Konings om de landvoogden in de Koloniën aan te
t_g· stellen, niet uitdrukkelijk vermeldt en de bevoegd- l
i; heid daartoe - trouwens zeer natuurlük - wordt
afgeleid uit het regt den vorst toekomende als hoofd l
van de uitvoerende niagt en als opperbestuurder j
j der Koloniën, noemt zij zeer uitdrukkelijk het regt
om Ministers aan te stellen, ofschoon dat regt, j
al wierd het niet vermeld, reeds even natuurlijk
als het andere regt dat ik noemde, zou voortvloeüen l
uit de bepaling, dat de uitvoerende inagt bij den j
Koning berust. Maar de grondwetgever heeft op dit
punt zelfs geen zweem van twijfel willen overlaten j