HomeHet regt van de Tweede KamerPagina 35

JPEG (Deze pagina), 572.35 KB

TIFF (Deze pagina), 5.43 MB

PDF (Volledig document), 31.75 MB

l l
I
X
l l
; DE BEVOEGDHEID VAN DE TNVEEDE KAMER. 33 .j
grondwet" sehgnen dus elkander uit te sluiten. En
j inderdaad zoo zou het zgn, indien de grondwetgever
jj niet in denzelfden regel, in denzelfden zin, welke A
de koninklijke onsehendbaarheid vestigt, het begin-
l sel van de ministeriële verantwoordelgkheid had
vastgesteld. Nu is het bezwaar opgeheven en de j
grondwet gewaarborgd. Immers nu bestaat er zeker~
heid, dat door den vorst geen regeringsdaad hoege-
naanid zal worden gepleegd, zg moge dan nog zoo lj
eenvoudig of nog zoo belangrijk wezen, of die daad
is tegelgk de handeling van den verantwoordelgken
Minister die er toe nxedewerkte. Die ministeriële
verantwoordelgkheid staat tot elke regeringsdaad,
Q zonder eenige uitzondering hoegenaamd, als de scha- lj
duw tot het voorwerp: beide zgn onafsoheidelgk.
j Laat mg er overigens nog dit bijvoegen: dat de
j onsohendbaarheid van den vorst niet alleen in het be- jl
T lang van dezen , maar ook in het belang des volks werd l
_ neergeschreven. Niemand die oritiek uitoefent over
eene regeringsdaad, wordt ondersteld den Koning
te hebben aangerand. En natuurlijk, want de wet tl
kan niet uitgaan van de onderstelling dat de bur
gers krankzinnig zgn. Wanneer eenige daad het ge-
meensohappelijk werk is van twee personen, een ‘j
l verantwoordelgk en een niet verantwoordelgk, en
ik oefen criiiek uit over die daad, wien zou dan ‘
j die oritiek gelden, wien zou ik tot verantwoording jl
roepen: hem die nooit antwoordt, of hem die ant- .
woorden moet? De vraag te stellen is, dunkt mg,
reeds genoeg. Ik
" ,
i
li =
V