HomeVermakelijke OssiadePagina 2

JPEG (Deze pagina), 762.61 KB

TIFF (Deze pagina), 7.14 MB

PDF (Volledig document), 33.07 MB

`; r *""*wj**f‘·_., , g ï‘*ï ( l·ï t,
A P j j , _ j _ I ·· k « .·«
1 .,. je * r I I I ‘ Yi: i ::
:·/' ' "‘ I · V ` ..­. .v.ea»:a wifi Vl
E" A ¥‘ *·>;
I I BARBERTJE MOET HANGEN - ~‘
Gerechtsdienaar: Mynheer de rechter, daar is de man die Barbertie V ‘
moord heeft. J At
Rechter: Die man moet hangen. Hoe heeft hy dat aangelegd? ‘ . j ,
· Gerechtsdienaa r: Hy heeft haar in kleine stukjes gesneden, en ingezouten, '
Rechter: Daaraan heeft hy zeer verkeerd gedaan. Hy moet hangen. ‘ ° Kr
Lothario: Rechter, ik heb Barberiie niet vermoord! Ik heb haar gevoed en ge- V _. °
. kleed en verzorgd. Ik kan getuigen bybrengen die verklaren zullen dat ik 'n goed.! ’ KC
mensch ben en geen moordenaar. . [lat
R e cht er: Man, ge moet hangen! Ge verzwaart uw misdaad door eigenwaan. Het, ba
past niet aan iemand die... van iets beschuldigd is, zich voor 'n goed mensch te aa
houden. ’ ­ I ,
Lothario: Maar, rechter, er zyn getuigen die het zullen bevestigen. En daar ïlé ‘ QP
nu beschuldigd ben van moord. . . V Z1_]
Rechter: Ge moet hangen! Ge hebt Barbertfe stukgesneden, ingezouten, en zyt: =kG
ingenomen met uzelf,. . drie kapitale ·deli»kten! Wie zyt ge, vrouwtje? 66.
Vro uwt j e: Ik ben Barbertje. [_ I `
Lothario: Goddank! Rechter, ge ziet dat ik haar niet vermoord heb! he
R e c h t e r: Hm. . . ja. . . zoo! Maar het inzouten? gê
Barbertj e: Neen, rechter, hy heeft me niet ingezouten, Hy heeft my integen­ de
deel veel goeds gedaan. Hy is 'n edel mensch! i ’
Lothario: Ge hoort het, rechter, _ze zegt dat ik 'n goed mensch ben. r j
Rechter: Hm... het derde punt blyft dus bestaan. Gerechtsdienaar, voer dien ‘
man weg, Why moet hangen. Hy is schuldig aan eigenwaan. Griffier, citeer in de ZIJ
praemissen de jurisprudentie van Lessing's patriarch. St;
· (Onuitgegeven Tooneelspel) SC-
MULTATULI: Max Havelaar. ' to;
. . rf. x [-[_
. I vo
t I Wi
. ‘ ‘ VG
, ’ X Va
' in
br
l PDV
Q lu;
te
’ · I VE
" ` dv
J . OI
` L 3.3
Daar we niet de eer hebben, den redacteur­uitgever der H. P. persoonlijk te kennen, ‘ sc
waren wij omtrent de voornamen van den heer Van Oss, welke zijn initialen verber-
gen, onzeker. Doch wij mochten van dezelfde betrouwbare zijde, die de heer Van Oss m
~ tweemaal omtrent onze Maatschappij inlichtte, de namen vernemen, waarmee we hem ‘ St
aanduidden, en meenen aldus voldoende zekerheid te hebben omtrent hun juistheid. W.
he
jl