HomeMr. G. Groen van Prinsterer en zijne leerPagina 8

JPEG (Deze pagina), 650.82 KB

TIFF (Deze pagina), 6.71 MB

PDF (Volledig document), 61.49 MB

l
, l
bij de behandeling van beginselen, niet altijd gepaard met hel-
derheid van gedachte.
De heer enoan, wiens verdiensten ik overigens niet verkleinen
wil, is niet een man van onbevooroordeeld historisch of van wijs- -
gcerig onderzoek (rl). Hij is Zeeraar en verkondiger van een stel- K
sel, niet door hem ontdekt, maar omhelsd. Hoofd en spreker
eener kleine partij, welke door de gunst der omstandigheden,
vooral ten gevolge der onverstandige en onbillijke maatregelen der
regering van WILLEM I ton aanzien der Afgescheidenen, bij een
deel der Hervormden steun en bijval gevonden heeft, is zijne taak
i en ook zijn talent dat van den propaganzlist. Van daar die ontel-
l bare herhalingen der zelfde denkbeelden in zijne talrijke geschriften.
Hij slaat voortdurend op hetzelfde aanbeeld. Het » gutta cavat
lapidem" is zijn stelregel. Zeker, zoomen geregelde ontwikkeling
i van gedachten, logisch betoog, bij l1en1 zoekt, zal men die slechts
zelden vinden. Met veel zelfvertrouwen weet hij van voren
opgevatte meeningen in allerlei vormen te herhalen, en met
bijzondere voorliefde zekere historische verschijnselen in het licht
te stellen, andere daarentegen te verzwijgen of op den achter-
grond te schuiven. Welligt meent deze of gone, dat dit bloem-
lezen de ware historische methode niet is. Waarlijk, ongevoelig
j rijst het denkbeeld, dat hij de geschiedenis behandelt, als on-
kundige Bijbellezers (helaas! dat er zoo vele zijn) den Bijbel;
die daarin slechts texten zoeken tot staving hunner geliefkoosde
leerstukken, in stede van in verband te lezen en zwmenhang
op te sporen.
De leer, door den heer onomv nu jaren lang verkondigd,
is niet nieuw en kan gemakkelijk worden aangeleerd. Wan- ·
neer hij echter meent, dat zijne leerstellingen niets bevatten,
dan ii hetgeen door alle eeuwen heen proefhoudend bevonden
(1) De heer cnoizn is, gelijk hij zelf erkent, » met de wijsgeerige
stndiën weinig bekend” (zie Beschouwingen over Staats- en Vollcenregt,
pag. 74). Het is in zijne werken zigtbaar.
1