HomeMr. G. Groen van Prinsterer en zijne leerPagina 79

JPEG (Deze pagina), 656.76 KB

TIFF (Deze pagina), 6.77 MB

PDF (Volledig document), 61.49 MB

W .,.. - . v ­ .. .. .
. ve
, idee, dat de Staat om den menseh en niet de mensch om den
r Staat is, volkomen waar, en rijk aan vruchtbare gevolgen, zoo
slechts niet de maatschappij, haar regt en hare ontwikkeling over-
tl bodig gekeurd wordt? Is zij anti­ohristelijk? Is voortgang zonder
dit bewegend beginsel denkbaar? En is de verwerping dezer idee
niet het sein der waardeloosverklaring van den enkelen mensch,
en diens verzwelging in onbewegelijke Gasten, gelijk in Azië,
of in vaste Standen, gelijk eertijds in Europa, dat is: -­ de
opoffering van het doel aan het middel, der vrijheid aan den vorm?
In het blijvend gevolg ligt de zin der oorzaak. Welk werd
het groote feit der Omwenteling? Immers, dat de Tiers-
Etat, dat wil zeggen, het inbegrip van den arbeid, de indus-
, trie, den rijkdom, de beschaving en geleerdheid van Frankrijk,
heersehend geworden is, en de grondslagen heeft gelegd eener
Staatsinrigting, die het belang is van allen, die arbeiden en
g hun lot verbeteren willen. Noeh monopoliegeest, door Napole-
: ontisehen oorlogsdwang gewekt, noeh hersensehimmige ondeiï
scheiding van bourgeoisie en peuple, herinnering uit den ouden
tijd (I), door gecstdrijvers en warhoofden als de nieuwste wijs-
heid aangekondigd, noch voorbijgaand despotismus (2) kun-
nen die strekking tegenhouden of vernietigen. En nu lette men
op hetgeen voorafging. Was die magtsverheffing van den Tiers-
l Etat niet voorbereid door den vasten gang der Fransche Ge-
Q sehiedenis? Wie het niet gelooft, leze het voortreffelhk werk
j van den grooten gescliiedschrijver, van A. rninnnv, Essai sur
Fhésloire de lu formation et du progrès du Tiers-Etat
I Ik moet in den loop der Fransche Geschiedenis twee punten
g doen opmerken.
(i) Deze verstond onder Bourgeoiste de erfelijke bezitters der Stede-
· lijke ambten (de Patriciers), en onder peuple het overige volk.
j (2) Dat is, waarvan m1,nnnn1.11<, Vreugdezuug, ‘l808, zong, liet »Liel
Y handljen, dat zoo teder nijpt." Is de vraag,
» Wat seepters zult gij dragen?’” nog Si propos?
j (3) Zie ook de wenken van nox·i‘.xi.icnnicirr, I. a. rliap. Vlll.
E
nl
t
l
l
st
I
li
3