HomeMr. G. Groen van Prinsterer en zijne leerPagina 69

JPEG (Deze pagina), 660.29 KB

TIFF (Deze pagina), 6.78 MB

PDF (Volledig document), 61.49 MB

Z
ïê ee
;.ooveel doenlg/s (geheel is niet mogelijk) verbergt. Zie hare
houding tegenover de Grondwet.
l Twijfelt nog iemand of deze, de vrneht der liberale begrip-
r pen (1), van harte door haar verfoeid wordt`? Zij is immers
C » nitgebroeid in de stiklucht van den liberalen dampkring (2);" zij
i is slechts » tot dus ver een revolutionaire vorm (3);" zij heeft
1 » de Oranjevaan naast den driekleurigen revolutie-standaard ge-
Q plaatst (4) ;” zij is » een doode vorm die op onderseheidene
E wijs wordt bezield? Zij is » een vorm, niet het wezen
onzer vaderlandsehe regten." ((3) Kan de minachting verder ge-
t dreven w0rden‘? Kan eene Wet, die in den Staat de eerste der
wetten is, vinniger en scherper worden bestreden en in de t
` meening van het algemeen onderrngnd? Ware de partij niet de
onnoozelheid zelve, zoo zij geen besef had van hetgeen zij op
- die wijze doet? Zegt de heer enorm niet zelf in een oogenblik
Q_ van vervoering: » Indien het eene omkeering is der Grondwet,
haar in verband te brengen met de grondtrekken van ons volks- {
bestaan; indien het eene omkeering is der Grondwet, Nederland ,
van de Fransche instellingen, waaronder het nog zucht, te be- {
vrijden, indien het eene onikeering is der Grondwet, het 11nis ‘
van Oranje aan den revolutionairen bodem, waarop het nog ge-
plaatst is, te ontrukken, om het op historisch terrein over te
brengen;" enz. enz., dat is, indien liet nntirevolnlionnir stelsel
moet worden toegepast, » welnu dan erken ik , ik geloof er roem
op te mogen dragen, dan, ja dan is liet de mnlreering der
Grondwet die ik bedoel, de onikeering der Grondwet, waaraan j
ik mgne geringe lcroeliten gezegd l2eb!”’ (7). ~
1
(1) Adviezen van 1840, pag. 25.
(2) Adviezen van 1840, pag. 47.
(3) Ib. pag. 138. (4) Ib. pag. 48. (5) 1b. pag. 45.
(6) Ih. pag. 48. Dit alles wordt van de Grondwet van 1815 gezegd. j
Wat dus van de nog meer liberale Grondwet van 1848 gedacht wordt,
kan men gissen.
(7) Adviezen van 1841), bl. 138.
1