HomeMr. G. Groen van Prinsterer en zijne leerPagina 53

JPEG (Deze pagina), 677.92 KB

TIFF (Deze pagina), 6.70 MB

PDF (Volledig document), 61.49 MB

I
t
ei .
4a
i
De geheiinenis der (lorlrlelçjlte wel is nu ontdekt. Wat is
daaruit gebleken?
Naar mijne beseheidene meaning heeft deze wet tamelijk veel
Qi overeenkomst met de zoo diep geminaehte werkstukken van deu
menselielijken wil. Staatskerken toch en middeneeuwsehe iurig­
tingen worden doorgaans onder de voortbrengselen van laatstge-
melde gerangschikt.
g? Ik maak er der anti­revolutie geen verwijt van, dat zij hare
plannen onder die kleur zoekt aan te prijzen, welke haar het
meest geschikt voorkomt om op velen invloed te winnen. Het
CU blijve echter aan anderen vergund, wat zij voordraagt, als het
" eigen voortbrengsel der partij, d. i. van feitbare mense/zen, te
A beschouwen en te beoordeelen.
Als wij dus hare voorstellen ontdoen van dien se/zyn van
UL Goddelijk gezag, waarop geen enkel werk, geen enkel stelsel, j
in godgeleerd, wijsgeerig of staatkundig, geene enkele gedachte, j
van menschen komende, aanspraak maken kan of mag, zal het i
j ware karakter der leer des te duidelijker bevroed worden.
ml Deze opmerking is niet zoo overbodig, als men welligt zoude
denken. Met den meesten grond toeh heeft de Iloogleeraar d'.
J. H. sonoixrnn t. a. p. bl. XVII en XVIII aangetoond, dat de
an . ,, . .
J1- heer ononu en de ii vrienden zich als eene onfeilbare Kerk nu
lr- petit pied beschouwen, zoodat, » ofschoon ook (zij) zelven niet
_d· in alles instemmen met de formulieren van eenigheid, aan (hen)
{IH alomvattend. Rek en strek dit beginsel buiten zijn natuurlijke grenzen; .
d, ’t kan uit aehtingwaardigen, maar onverstandigen geloofsijver geschieden; -
hij- en gij hebt, voor eiga, innig Christendom, ofdciëele godsdienst van
` E Staat; voor waarachtige, gemoedelijke overtuiging, een sc/zyn van gods-
j dienst, moe te slepen en te besmetten door de hartstogten, belangen, ge-
breken des tijds; voor den » smallen weg," een gemakkelijke maar ten
.e: verderve leidende heirbaan. Dat men het iuzag! Of is het zoo wensehe-
lijk, in stede van een vinm, ivelligt een voiiramn voor te bereiden? De i
J". vraag: » wil men dan het ongeloof als Godsdienst van Staat, of den Staat Q
is I als werktuig zonder ziel?" Ned. Gert. II, p. 2. Moge vnver u beantwoorden.
l
l i
ë .
Q r
Ji
(L K Y `