HomeMr. G. Groen van Prinsterer en zijne leerPagina 46

JPEG (Deze pagina), 707.04 KB

TIFF (Deze pagina), 6.70 MB

PDF (Volledig document), 61.49 MB

l ` Q
_,­ 40
al
_ï niet de keuze der leden en het opmaken der lastbrieven. Voor
de Provinciale vertegenwoordiging zal dus een corporative, ge- f,
’ meentelijke grondslag geschapen moeten worden. De gemeenten ä
als zoodnnig, dat is, hunne besturen, want eene andere ver-
E tegenwoordiging heeft de gemeente niet, zullen kiezen en over
den lastbrief debatteren. Het stelsel zoude verder niet consequent
worden toegepast, zoo niet de leden der gemeentelijke besturen
j 1 zelf door corporatien, die de levende uitdrukking zgn der bg'z;on-
lj dere belangen, gekozen en geinstrueerd werden. En ziedaar dan
het stelsel in logische voortzetting aangekomen bij de wederop- ·‘
j rigting der Gllden en de bel1andeling der landszaken in vergnde­
ld ringen van Gildebroeders.
lj _ Het is algemeen bekend, dat de heer cnonw en zijne partij
over de afsehafüng dezer corporation en over de » onvoerwaar-
SW delijke concurrentie" klagen. Zie Hnndb. d. Gesch. n. lt. Vaal.,
ll bi. 844 (li. j
In de tweede plaats zal, met de aanneming van zoodanig man-
- daat, de eerste Kemer kunnen wegvallen. Daar men toch niet
V (1) Zie Verscheiden/zeden, pag. 268. Elders, in Grondwet/terz,. en
Eensgezindheid, pag. 371 heet het: » Ik verlang het weeen der zaak --
geen Standen of Gilden in verouderden vorm. Ik wensch eenheid, ver- gt
eeniging, uit gemeenschap van regten en belangen, ten gevolge der
vr . gelijkheid van stand en bedrijf; dit behoort onder de elementen, waaruit
JJ W de staat zich in zgn geheel als gegliederte Gemeinse/tnft krystalliseert."
“` Welke verwarring! als of het bij de vraag aangaande het Gildewezen
j A` op den vorm aankwam. Het wezen der Gilden, al werd de vorm nog jj,
lj zoo veijongd in den geltrystalliseerden staat, is verwerpelük, want het
V is vlak strijdig met de vrijheid van eigendom en bedrijf. En uit het
n { wezen volgt de vorm van zelf Zie o. a. Beginselen van Staat/mis/rond-
_. I kunde, door M'. en nnnvn kers, pag. 124 en volgg.
Eene vrij duidelijke aanteekening hierop werd door den heer van een
j nnuccnnn onlangs, bij de behandeling van het verzoek der schippers op
Nümegen, in de Tweede Kamer geleverd. De teregtwgzing, door den
"g heer 'l`ll0lBECl{E, liet zieh echter niet wachten. ln de klagt over de lj
jl I » onvoorwaardelijke conrurrentie" hebben deze heeren eenen niet benij~
zr ' denswaardigen bondgenoot aan MAlh'l`. llij was van dezelfde ineening.
. tl

l al ll
.@ r
t l