HomeMr. G. Groen van Prinsterer en zijne leerPagina 41

JPEG (Deze pagina), 717.62 KB

TIFF (Deze pagina), 6.69 MB

PDF (Volledig document), 61.49 MB

Q l
I l
j l
, 35 j
alle die banden en slagboomen doen vallen, welke onder deu
naam van leenstelsel, gewestelijke soevereiniteit, corporative reg- ,
ten, de maatschappelijke ontwikkeling belemmerden, en zelfs
meer dan eens het bestaan van den staat in de waagschaal
hadden gesteld. Deze regten, zeer gepaste steunsels en verde-
digings-middelen eener nog jonge en inwendig weinig krachtige
maatschappelijke orde, welke in tijden van krijg en onrust op `
naauwe, ja! zeer naauwe aaneen- en afsluiting bedacht moest
zijn, waren, in geheel veranderde omstandigheden, voor de
j welvaart van het algemeen nadeelig en gevaarlijk geworden. l
' Behoefte riep vrijheid; en deze onmiddellijk, als haren waarborg,
mi de eenheid van den staat te voorschijn.
[gj Gronds genoeg voor iemand van de denkwijze des heeren
van enomv , om ook die eenheid te voroordeelen en te willen verbreken.
gym Als hij er zich toe zet, om de Grondwet » te zuiveren
lrdt van den liberalen zuurdeessem," dan » stuit hij al terstond
tgd_ op den aard der zamenstelling van het rijk, op die eenheid l
ling en ondeelbaarheid van den staat, waarbgy`, overeen/romstig de l
van revolutionaire theorie, het efzonderly/r beslaan der provincien l
tam in een vermeend algemeen belang te niet geel? (Bgjdr. pag. 97). `
in- Indien men niet wil aannemen, dat de schrijver eene her-
its- stelling wenscht van het afzonderlijk bestaan der Provinciën,
eer- alleen om zich, gelijk een kind, met de meerdere afwisseling
jkst en verscheidenheid te vermaken, welke het vaderland, als een
lg veelkleurige kaart, alsdan zoude aanbieden, - zoo moet de l
den grond van dien wensch een andere zijn. Het is blijkbaar, dat l
een de heer eaonn aan een belang der Provinciën gelooft, om een l
llks afzonderlijk bestaan te hebben. Dat is, hij meent, dat de ver-
cler E schillende Provinciën te_qe2zstrg)`di_qe belangen hebben. Hij gelooft
‘in- aan een anlagonismns der belangen in ons vaderland. ,
Ik meen, dat de staathuishoudkunde (hoe jammer! dat de l,
heer eaonn daarin, naar eigen erkentenis, niet eens eliletmnl ll
end ? is! zie Adviezen 2de ged. bl. 142 en volg.) voor lang heeft l
il," i aangewezen, dat zoodanige stri_jd der belangen, zelfs tusschen
‘ l