HomeBrieven aan een oud-GaribaldiaanPagina 6

JPEG (Deze pagina), 1.01 MB

TIFF (Deze pagina), 7.44 MB

PDF (Volledig document), 20.07 MB

“ l
-1
een Engelschman zich in het belang van ’t vormen eener buitenlandsche `
publieke opinie in deze dagen met vrucht kan zetten is, te praten over
wat hij grondig begrijpt: het hoe en waarom van de Engelsche op-
vatting. Deze is even eenvoudig als soliede. Voor ’t eerst misschien,
in onze geheele historie, kunnen wij terecht van een Vereemgd Konink­ [
rijk spreken. Nimmer te voren is er zulkeen eenheid van zin in het `
Engelsch ras vertoond. De Ieren en zelfs de mannen van Wales j
waren meerendeels pro-Boer en sommigen onder de meest onver-
valschte Engelschen waren van hetzelfde inzicht. Niemand was meer
Engelsch dan Fox, toch protesteerde hij tegen den oorlog met i
Napoleon. Kon iemand meer merg-en-been Engelsch zijn dan _
Oobden en hoe was zijn houding in den Krim-oorlog? Het is iets -
hoogst ongewoons, ons land zoo vereenigd te vinden. Men zou zelfs
kunnen zeggen dat, tot kort geleden, een Engelschman, die het geheel l
met zichzelven eens was, een witte raaf mocht heeten. Diegenen onder l
ons, die, als de schrijver dezer brieven, den Zuid-Afrikaanschen oorlog
van meet-af en van harte verfoeiden, voelden zich toch min of meer
verdeeld in hun oordeel; er waren schoone zoowel als leelijke blad-
zijden in die geschiedenis. Maar vandaag heb ik het voorrecht, U het
onweerlegbare feit te presenteeren, dat er van zulke weifelingen en x ­
tegenstrijdigheden niets inkomt. En denk niet, dat dit het gevolg j
is van een afspraak, een schikking-neen, het komt voort uit een i
algemeen oplaaiende vlam van geloof, of, wilt gij dit liever, van |
suspicie. Wij lieten onze inwendige twistvragen niet zoo maar ·
schieten en evenmin was het gemakkelijk, ons met alle oude grieven 1
verzoend te voelen. Ik ben, zoo goed als gij, een volbloed democraat
en een wereldburger van Europa; mijn vrienden en ik hadden een
toenemenden hekel aan al wat plutocraat was en de bevoorrechting, {
die nog altijd in de hooge rangen onzer samenleving heerscht, walgde
ons in zulkeen mate, dat het ondenkbaar scheen, dat wij ze ooit zouden ‘
leeren verdragen. Van deze geld-menschen zal ik hier niet spreken ; f
als gij het goedvindt, zullen onze alkecr van hen later rusten.
Oorlog is altijd verschrikkelijk, van welk standpunt men er ook 1
naar kijkt ; voor sommige intellectueelen is de noodzaak, eigen ' l
gevoelens aan dc algemeene zaak ter ofïer te brengen, nog het
verschrikkelijkste van alles. Dat oorlog de jonge levens verwoest, dat
het hen, die elkaar in liefde aanhangen, vaneenscheurt, dat over de
geheele Europeesche wereld bruiden en bruigoms elkaar bij de kerk-
deur vaarwel kussen. .wel, is dat iets meer dan de alledaagsche op-
vatting van alledaagsche menschen ? Niemand zal ontkennen dat er j
iets overweldigend schoons ligt in het prijsgeven van onze liefde voor _
het vaderland? Maar in het prijsgeven van onzen haat ter wille j
van de gemeene zaak, ligt ook iets nobels, iets dat tot veredeling van
het gemoed leidt. E
Wat brengt deze Engelsche scharen tot staan, zoo in hun gekunsteld
vertoon van partij-politiek als in werkelijke sociale en moreele strijd-
vragen en behoeften? Wat heeft ons allen in één massa samen-
gedrongen tegenover den Pruis, als ware hij een wild beest ? Het is
het gewaarworden van een zekeren geest, even moeilijk te miskennen
als de aanwezigheid van een stank, een rotlucht, die, naar ons instinkt
te rekenen, alle goede dingen dezer aarde met bederf bedreigt. De j
I
a
l
i
S