HomeBrieven aan een oud-GaribaldiaanPagina 10

JPEG (Deze pagina), 970.40 KB

TIFF (Deze pagina), 7.51 MB

PDF (Volledig document), 20.07 MB

I l
l
8
met het bezit van een Michael Angelo, maar er niet aan denkt, er de
wereld mee geluk te wenschen. Het is de geest van den verzamelaar,
den maniac, die al zijn haren verliest onder het uitpluizen van zijn
eigen, vermeend-nobele afkomst, of van een die zijn laatste penning `
spendeert aan een denkbeeldige " claim " 0p een denkbeeldig vermogen. ·
De Pruis is vol van het met zichzelf in tegenspraak zijn van den par- _
venu; hij geeft zich oneindige moeite om te bewijzen, dat van
een edelman uit de dagen der Renaissance afstarnt; terzelfdertijd
bluft hij, dat hij met zijn geld alles, ook hem, kan koopen. Zijne
redeneering komt hierop neer: Als de Italianen werkelijk groot ·
waren wel, dan moeten het natuurlijk Duitschers zijn geweest, want l
waren het in werkelijkheid geen Duitschers, hoe konden zij dan ooit _ ‘
als groot worden beschouwd? Men zou zoo zeggen, dat het heele 4
bedrijf eer dat is van een malle oude juf dan van een man ! 1 ’
Drie, vierhonderd jaar geleden, temidden van de tragische stilte ' _
die op de betrekkelijke mislukking van het geweldig pogen der ` j
Middeleeuwen volgde, brak er over Europa een storm uit het Zuiden 1 .
los. Het is een wild rumoer van vele stemmen: men hoort er den j
. schaterlach van Rabelais in of, wil men dat liever, de zangen van
Shakespeare ; maar de diepe kern van den storm was beslist zuidelijk v
en van een geweldiger natuur: een daverend geluid van reuzen- _
vlerken en de naam Michael, de Aarts-engel I E · -
Toen het de wereld in diepe beroering gebracht en gelouterd had
om weer heen te gaan, pikte een Pruisisch professor een gevallen
veertje op, spoedde zich huiswaarts en zette zich aan ’t volschrijven ,
van een reeks folianten om aan te toonen dat het een veertje was i
uit de staart van een Pruisischen Adelaar. Hij had er een gezien- 1-
in een kooi. ­
De Uwe, y
G. K. CHESTERTON.
l
E
Mim Vrx.~.r«znn . . . I
De feiten thans aan alle leden der groote Europeesche gemeen- j
schap voorgelegd zijn van zoo diepgaanden aard, dat ik het nog altijd `
gemakkelijker vind, er met U als een oud vriend over te praten dan _
ze in den vorm van een vlugschrift te gieten. In mijn vorig schrijven .
wees ik op twee punten, waarom de zaak draait. Het eerste is dat,
in de nieening van elk waarlijk beschaafd mensch, Pruisen tweede- i
mrzrgseh is, het tweede, dat in de opinie van bijna iederen Pruis, Pruisen *‘ä _
den eersten rang onder de natien inneemt en bereid is, het politietoe- . j
zicht over de rest van de wereld op zich te nemen. I
Wat het eerste punt aangaat-kan de betrekkelijke minwaar- 5
digheid van de Duitsche beschaving door menschen als gij een oogen- Q
blik worden betwijfeld 'Q Een van de Duitsche bladen merkt.e meewarig _ ·
op, dat de verwo« sting te Mechelen en Rheims aangericht erg be-
droevend was, maar dat men zich troosten mocht met de gedachte, 1-
dat veel schooner kunstwerken dan de beschadigde zouden verrijzen, . ~ ·
waar de Duitsche beschaving zegevierend haar intocht houden zou. ‘ ·
Van een humoristisch standpunt zou men het haast bejammeren, dat _ ,.
wij ze wel nooit zullen te zien krijgen! I
I