HomeMr. Groen van Prinsterer's 'Karakterstudie' van Mr. Keuchenius, aan de feiten en de historie getoetstPagina 37

JPEG (Deze pagina), 726.02 KB

TIFF (Deze pagina), 6.87 MB

PDF (Volledig document), 34.69 MB

1
ä 35
V.
Is mr. Keuchenius werkelük geen man van lama/cZe2·" -­ en 11og wel,
gelijk de heer Groen verlangt dat de uitspraak luide: zz in de volle
kracht van het vereerend epitheton " (bl. 3)? (33)
Tot ons opregt leedwezen zgn wij verpligt, aan het slot onzer repliek,
deze vraag met ernst te onderzoeken. Want de heer Groen zet ons de pistool
op de borst en er is bijkans geen qualiiicatie denkbaar, die niet op ons
wordt toegepast, omdat wij meenden de vraag, oorspronkelijk door de
Nieuwe Groninger Gozzrmzrf gesteld, aan het oordeel der natie te moeten
onderwerpen. Aldus uitgedaagd blijft ons geen uitweg open; en alzoo zal
blijken, dat zelfs een vriend van zóó uitnemend talent als de heer Groen,
soms een zeer onhandig vriend worden kan. _
Welke is , afgescheiden van de weifelziekte in de belijdenis van koloniale
beginselen, de houding van mr. Keuclienius geweest schier van den dag
af, dat hij, door de benoeming van den heer Mijer tot Minister van
` Koloniën in zijne berekeningen teleurgesteld, zich door een oppositie,
slimmer dan hij en welligt zonder zijn eigen bewustzijn zijn bekend rancuneus
karakter exploiterende , liet aanhitsen om te worden het werktuig van
uitvoering voor het reeds lang te voren beraamde opzet? (34)
Die houding - om haar in één enkelen trek , doch niet de meeste
naauwkeurigheid te schetsen - is geen andere geweest dan die van
V volkstribuun, van opposant in het openbaar, van gunstbejager , van
sollicitant in het geheim. Met andere woorden: mr. Keuchenius ver-
l deelde zijn tijd
tusschen het in de Tweede Kamer, zr op het schavot te pronk stellen,”
(33) Wij behoeven noch den heer Groen, noch wien ook, wel uitdrukkelijk te
· verklaren, dat hier, evenzeer als in ons artikel van 21 Januarij jl., enkel
j bedoeld wordt het politiek karakter.
jj (34) Men herinnere zich de merkwaardige verklaring van den heer W.v.Goltstein ;-­
j »» Reeds in den voorzomer, vóór dat de heer Keuchenius nog tot lid dezer
«» Kamer gekozen werd, is mij deze motie voorspeld, en is mij gezegd, dat
H indien de heer Mijer naar Indië wierd gezonden, bij gelegenheid van het
( ~ adres van antwoord wel zorg zou gedragen worden, dat arm die uiizmzdivzg
Q ~ geen gevolg kan worden gegevwz ; " - geheel in verband met het opmerkelijke
_ feit, dat de N. R. (ii. reeds den 29 Mei 1866 sprak van de benoeming van
1 den heer Mijer tot Gouv.­Generaal. En dan roept de heer Groen, alweder
*' ~ argeloos" uit: »« Wat veroorlooft men zich dan naar geheime drijfveeren te
Q ~ zoeken, waar de drijfveer, die, in ’s lands belang, het zwijgen niet vergunde,
_ ~ voor de hand ligt !" (bl. 9).
i
i
5 .
3