HomeMr. Groen van Prinsterer's 'Karakterstudie' van Mr. Keuchenius, aan de feiten en de historie getoetstPagina 30

JPEG (Deze pagina), 747.25 KB

TIFF (Deze pagina), 6.87 MB

PDF (Volledig document), 34.69 MB

Eg§ï;;`___,£`_­ · . ` ~·a.· » F:. ·»»· S ~­­Y,i1....~,~_`,»..,;,,,--~ · [ . vl; [ J

jj {
i :28
de ontvangst, welke aan de publiekmaking van het programma van I`
i 8 Febr. 1866 , hier te lande te beurt gevallen is.
a. De koading naa den keer Groen.
De verdediger van den rr afwezigen vriend " beweert, dat het pro- I
gramma van 1866 niet oon.s·ei·valie/ is geweest, dat het manifest van l
1868 niet radicaal is: dat beide stukken eigenlijk volkomen met elk-
i ander in harmonie zgn: dat het laatste stuk zelfs is rr een model van
llBb /‘07'dlt€7‘ 2.7Z TE, 8M(ll’it87' modo, // 6611 Z€l(ilZ3,m€ VBI'CGU.1g1`[Xg VRI).
l bezadigdheid en kracht" (bl. 51): dat beide stukken zijn de uitdruk-
king van een consequente nehristelijk historische politiek
Wij zullen er nu niet op wijzen, hoe zonderling het klinkt, in een
j koloniaal vraagstuk over het algemeen een man zich te zien opwerpen ;
j als scheidsregter, die tegelijkertijd erkent te zijn n een leek, een niet- j
` deskundige, die over koloniale aangelegenheden geen eigen oordeel durft Q
l te vellen" (bl. 21); - maar allerzonderlingst schijnt het ongetwijfeld, ä
den heer Groen te zien optreden als verdediger juist van strekking. nl f
. C bedoeling en beteekenis der koloniale politiek van Mr. Kenehenius op
l hetzelfde oogenblik, dat hij met zoo vele woorden verklaart: u Over ·
l zmvn koloniale politiek (d. i. over de politiek van Mr. Keuehenius) ver-
' meet ik mg geen oordeel" (bl. 30). Wie is in staat, zóóveel tegenstrij-
E i digheid op te lossen? · ~·
Doch dit zelfs daargelaten: hoe is nu de houding van den heer Groen _
ik tegenover het vraagstuk, dat hij vrijwillig op zich nam te verdedigen?
Als seheidsregter leidt hij het proces in met de verzekering dat hij
n een streng onderzoek" als n niet overtollig" zal instellen (bl. 17). G
' Wie zou ook anders van deu heer Groen verwachten?
Toeh schijnt deze eerste voorwaarde tot elke onpartijdige beslissing.
l reeds vóór dat zij gemaakt was, in het vergeetboek te zijn geraakt. j
l Want de heer Groen begint, reeds op bl. 1, de proces­stukken voor
l , de oogen van het publiek neder te leggen; - maar ten halve. j
f Als bijlage 1 geeft hij den brief van Keuohenius van 8 Februarij 1866.
L Als bijlage 11 het artikel van het Dagblad van 21 Januarij 1868 , Y
F dat -­- volgens het oordeel van den heer Groen - rr door de vergelijking
nmet den brief van het Dagblad aanleiding geeft tot eene losbarsting
I/in verwijten, welke hierop neêrkomt , dat het politiek geweten van
nlieuehenius in den dwarlstroom van den partijhaat is ondergegaan".
» En tot verdere toelichting van deze bijlage H voegt de heer Groen
er, met liefelijkheid, bij: l
l n Ook deze stortvloed van beleedigende uitdrukkingen mogt hierin eaáenso
t 1
ä
‘ al