HomeMr. Groen van Prinsterer's 'Karakterstudie' van Mr. Keuchenius, aan de feiten en de historie getoetstPagina 28

JPEG (Deze pagina), 738.85 KB

TIFF (Deze pagina), 6.92 MB

PDF (Volledig document), 34.69 MB

· . .. J . . e _,__ 1, ` _, Mn r_,_ W
i
I
' I
g ee
. j programma van 1866 openbaar te maken en. dit vergelijkende met
( [ het programma van 1868 , in groote doch allezins juiste trekken ,
j het seherpe contrast tusschen beide geloofsbelüdenissen in het licht
l te stellen.
t Dan was het pligt, ­ ook al begrijpen wg de smart, die de heer
j Groen er over moest gevoelen en ook al kunnen wij dáárin versehooning
i vinden voor een bitterheid van taal en een felheid van aanval als in
1 dezen leider eener eerbiedwaardige rigting niet incest worden verwaeht~­ jj
E om , door deze dubbelhartige politiek naar ’t betaamt aan de kaak te l
Q stellen , te zorgen, dat de oppositie van dezen «« nieuw verrezen publi-
g eist " (24) geen gevaar worde voor het vaderland , opdat zij lx die in
` beginselen en in eer nog iets meer zien dan ligtzinuige klanken" de 1
j waarde der oppositie nu zouden kunnen leeren schatten, maar óók en
il niet het minst de zedelijke waardering van het nieuwe bondgenootschap
p tusschen het radiealisme en een der edelste vertegenwoordigers (vol- i
M gens den heer Groen) van de //Cllrisliglük’hlSt01:l.SCllC rigting" gesloten.
Hoe nu is dat bewijs het eenvoudigst , maar ook het krachtigst _,
j te leveren? G
1 ‘ Voorzeker niet, door ten tweede male en nu in al de details , de
_ programmas van 1866 en 1868 tegenover elkander te plaatsen en den
E , strijd tusschen elke hoofdstelliug in beide stukken aan te wijzen.
je l Zoodanig betoog zou ons slechts in een vicieusen cirkel doen rond- ii
lj draaijen. Tegenover de subjectieve meening van de heeren Groen en
Gunning , die in beide stukken zien een, schier onverbrekelüke homo-
geneïtcit van zzchristelijk-historisehe" beginselen, zou op nieuw gesteld
moeten worden de subjectieve meening van het Daqblml , dat juist het
tegenovergestelde waar is. Geen stap verder zou alzoo de strijd op die
wnze gevoerd, ons brengen. i
i En nu moge de heer Groen deze onze weigering, om te herhalen
j ii wat reeds voldoende is aangetoond en om nog eens duidelijk te maken
L I wat reeds voor ieder helder is als de dag, andermaal toeschrijven aan
( onze vrees voor Keuehenius (ll), omdat wij N den strijd, dien men niet
aandurft, willen ontgaan" (bl. 36) en ds. Gunning moge dat precieuse
A
i (24) Wij handhaven deze uitdrukking volkomen , ondanks de verbolgenheid
daarover door den heer Groen (bl. 18 en 36), omdat zij overeenkomt met de
waarheid. Ons althans is het niet bekend, dat de heer Keuchenius vroeger
de betrekking van ~publieist" vervulde. Zoo ja: waarom licht ons dan de
· heer Groen niet beter in: in stede van zich verbitterd te betoonen omdat wij
in den heer K. als publicist ~ een novicius" zien , evenzeer als deze dat doet
iCIl H$lllZlCl Välll (1Cll hCBl' HUGt?
l
l` "
l
'
ï t ,
E