HomeMr. Groen van Prinsterer's 'Karakterstudie' van Mr. Keuchenius, aan de feiten en de historie getoetstPagina 24

JPEG (Deze pagina), 753.16 KB

TIFF (Deze pagina), 6.98 MB

PDF (Volledig document), 34.69 MB

E
I

22
· kiezingcu bewoog. Zoo bijvb. nog op 25 Oct. 1866: rr Het spreekt nu i
van zelf dat n ik mij, evenmin te Gouda als elders, tegen de candida-
tuur «»verzet'*. Was dat nbegeeren" of n niet begeeren?" Waarschijn- i
lijk beiden - doch naar gelang van den uitslag.
In dezen zin evenwel meenen wij niet, dat Keuchenius de benoeming
in Jung 1866 n niet begeerd” had. Hij begeerde haar niet naar de
beteekenis die het woord zelf, taalkundig, uitdrukt: dat wil zeggen -­- ‘
het lidmaatschap der Kamer was niet zijn verlangen als einddoel. Hij
begeerde eigenlijk Minister te zijn. Met wien en onder welke vlag dan j
i t ook. Met Thorbecke als deze het won in den strüd met van de Putte;
j en ook op déze eventualiteit was het programma van 8 Februarij , niet
het minst de philippica tegen den nsuikerbereider" ingerigt; ­­ met I
de conservatieven als deze, gelijk Keuchenius waande, nalras ” aan het i
" bestuur zouden komen. Ook in de teleurstelling van deze bevrediging
( eener grenzelooze ambitie, die des te gricvender werd toen later de
benoeming van den heer Mijer tot Gouverneur-Generaal en de optreding
van den heer Trakranen zijne verwachting al weder te leur stelden -
i ligt de oplossing van zijn gedrag na die benoeming.
l Trouwens , het is , nu wij kennis gekregen hebben van den intiemen
. (in den grootsten haast) aan mr. Groen geschreven brief, niet langer vol I
S tc houden , dat Keuchenius de benoeming zou hebben kunnen nbegeeren".
Uit dien briet toch , waarin de Christen, in allen demoed des harten "
al zgne zonden belijdt en zijne tekortkomingen en als het ware in den (
boezem van een vriend een biechtstoel zoekt - hetgeen den heer i
Groen nogtans niet belet , deze allervertrouwelijkste mededeelingen, S
zonder verlof van den boeteling , openbaar te maken - uit dien brief
lezen wij o. a. hoe zonderling mr. Keuchenius’ opvatting is geweest van
de pligten en den werkkring van een lid der Staten­Generaal.
n Indien ik gedwaald heb" ­- zegt hg , in den loop van de belijdenis
j zijner menschelijke afdwalingen - n het kan niet zgn door als advocaat, j
j ann de Regering mij heeft weggejzenget (21) werk te gaan zoeken: het
' nzoude alleen hierin kunnen zün, door•de betrekking van lid der Kamer.
«/wemrtae het bezit van vermogen en eene one/`han/oelü/ce positie een eerst
nvereischte is, aanvaard en niet geweigerd te hebben” (bl. 49). ‘
l Wij zien hier alzoo een man:
die zich noemt, niet alleen n een belijder , maar sedert vele jaren
een strüder voor het Christendom" (bl. 443); (
(21) Op de juistheid dezer ~ christelijk historische " qualilicatie komen wij,
als een bijdrage nu van onze zijde tot de ~ Karaktcrstudie" van mr. Keuehc­ l
'_ uins , in ons laatste artikel terug.
l
«
l
[ a
l !
j I
Y af
s ,·,. {