HomeMr. Groen van Prinsterer's 'Karakterstudie' van Mr. Keuchenius, aan de feiten en de historie getoetstPagina 14

JPEG (Deze pagina), 754.36 KB

TIFF (Deze pagina), 6.96 MB

PDF (Volledig document), 34.69 MB

g l 5/ ;·’ / T
i
(
j 12 _ ‘
hebben wij slechts te herinneren hoe de heer Groen zelf (op 12 Oct.
I, 1866) als gevolg van de motie voorspiegelde het ««iera_q/r0men” door
l den nonschendbaren" , maar niet ”onfeilbaren” Koning op de reeds ge-
ï nomen beslissing (d. i. de benoeming van den heer Mijer). De motie had
j dus. ontwijfelbaar, de revolutionnaire bedoeling om den Koning tot den
g afstand van zijn gezag in een der gewigtigste zaken te dwingend
De nu opgeworpen quaestie ligt evenwel geheel buiten. die van de
i motie. Hier is alleen de vraag te onderzoeken: of het Dagblad het
ii regt had en betamelijk handelde, toen het, met het oog op het radicale
manifest uit Indië, Keuehenius brief van 8 Februarij publiek maakte. R
Al hetgeen de heer Groen , ter verwikkeling van dit eenvoudige vraag- ·
j stuk , daar bij haalt , wordt door ons zeer kalm ter zijde gelegd, ook
ii omdat Keuehenius zelf wel niet zwijgen zal en wij alzoo over een paar ‘
f maanden de gelegenheid te over zullen hebben te zeggen. wat wij meenen
nu vooralsnog voor ons te moeten houden.
Doch nu al de andere grieven , die tot het gerezen vraagstuk zelf
betrekking hebben?
j a. de brief van 8 Febr. ’6G was niet een ugeloo/sbi·z'cf". . . maar een advies.
` In zekeren zin vinden wh hier de poging herhaald van den strijd
jj tusschen Groen en Fruin over hetgeen al of niet ageloofsbel§denis" is, ~
I ugeloofsbrief", ~beloftc” en averklaring". Geen gevaar, dat wij van ‘*
onze zijde ons op nieuw in dezen «;al­aZe-sac zullen laten verlokken: wij _
hechten niet aan het woord, maar wij hechten aan de feiten en aan de
waarachtige beteekenis. die deze hebben en de omstandigheden waarin
zg plaats hadden.
Daarom protesteren wij al dadelijk tegen de poging, om den brief
van 8 Febr. een I/advies" te noemen; en inderdaad wie, met de feiten
van ’6G bekend, de gronden leest, waarop de heer Groen zich beroept, kan
zich van een glimlach over zoo veel H argeloosheid" (8) moeijelijk onthouden.
Men luistere slechts: V
de R ~ Een advies , geschreven , den S Febr. 1866, na de breuk niet Thorbecke (9), lj
(S) Wij zouden dat woord niet hebben durven gebruiken , indien niet de heer
Groen zelf zich op zijne bekende ~argeloosheid " beriep. (Bl. 61).
(9) Niet de breuk van Keuekeizias met Thorbecke, gelijk de zinsnede
schijnt aan te wijzen , maar de breuk van Fransen van de Putte met Thorbecke.
Deze reserve tegen de anders bij Groen zeldzame onduidelijkheid van syntaxis ,
is niet zoo geheel overbodig , waar de in de staatkundige gebeurtenissen inge-
wijden reden hebben te vermoeden dat Keuchenius, indien Thorbecke in den
strijd op van de Putte had gezegevierd , waarschijnlijk niet versmaad zon hebben
met het ·/ eminente h00td" als Minister van Keloniën zitting te gaan nemen.
f