HomeMr. Groen van Prinsterer's 'Karakterstudie' van Mr. Keuchenius, aan de feiten en de historie getoetstPagina 13

JPEG (Deze pagina), 673.20 KB

TIFF (Deze pagina), 6.95 MB

PDF (Volledig document), 34.69 MB

1"`,’,/ IWI dr I E K f«_w_vW·WM`WlIm" mai W www"' M ,
Y z' 2
; ./ i
uj .
I
l 11
i beschuldiging , die reeds in hare onderdeelen tot zooveel regtmatigen
twijfel aanleiding geeft?
” Op niets anders, naar ’t ons toeschijnt, dan op een met kunst en
groot talent opgetrokken gebouw van hypothesen, die zelfs niet den
schijn van waarheid ten grondslag hebben, doch die de heer Groen als
; zoo vele waarheden aanneemt, verblind als hij is door zijn ongesehokt
i geloof aan zijn afwezigen vriend. 1
De heer Groen reconstrueert de historie van 1866 , welke nogtans
aan ieder politiek man van zeer nnbh bekend is, ter wille van Kenchc-
nius. Met evenveel opregtheid als de heer Groen ons toevoegt: »« Ik l
di ubeweer niet dat de vervalsching met opzet geschiedt. Integendeel, het
ukan zijn dat er een vergissing plaats heeft. Alles is mogelijk, maar dan
{E nis de vergissing kolossaal. En, is het niet een vergissing, dan schijnt
ude steller der acte van beschuldiging al te zeer op de ligtgeloovigheid
nvan het publiek rekening te hebben gemaakt" (p. 4­) , geven wij hem (
deze `zijne eigen woorden terug.
Aan opzet denken wij niet bij den heer Groen. Hij vooral, mag , evenmin
als de vrouw van Caesar, aan verdenking bloot staan. Maar zijne ver-
gissing is kolossaal en hij maakt daarbij op de ligtgcloovigheid van het-
publiek al te zeer rekening.
j Immers volgens den heer Groen - en nu gaan wij zoo trouw mogelijk
zijne grieven tegen het Dagblml analyseren - _
was de brief van 8 Februarij ’(i6 niet een /zyelaafsbrie/"’ . . . maar
GGD 1/ [ó0ll’2.6S ii ;
( Keuchenius werd geen lid der Kamer door de conservatieve partij . .
er was dus geen patronaat , gelijk wordt voorgesteld;
·| hij heeft de benoeming niet begeerd , maar werd slechts «/ met moeite" (
( tot het lidmaatschap overgehaald; (
1 en hij had voor de motie, zonder persoonlijke vete tegen den heer (
‘ Mijer, reden genoeg. ä
i Het laatste punt laten wij geheel onbeantwoord , zonder daarom een
enkele lettergreep terug te nemen van ons oordeel over de beweegredenen
en het doel, die Keuchenins bij het doen zijner motie leidden. Ook nu
nog onderschrijven wg het oordeel van een allezins bevoegde: u de motie
` ,«Keuchenius is de Judaskus der anti-revolutie (gelijk K. haar toepaste
yen G. die verdedigde), waarmeê zij verraad pleegde aan het praerogatief
ader Kroon" (7). En om de juistheid van dat oordeel te bewüzen, i
(7) l)r. A. v. d. Linde: de Volte­face van mr G. Groen van Prinsterer,
in ’tnajaar van 1866, p. 14;.
it ‘