HomeTwee gesprekken over de N.O.TPagina 29

JPEG (Deze pagina), 800.69 KB

TIFF (Deze pagina), 7.86 MB

PDF (Volledig document), 29.76 MB

. 27
het hier betrof de niogelijkheid om den overzeeschen
handel te blijven uitoefenen, zoodat bij de beoordeeling
van de vraag, of particulieren verder gingen dan de
neutraliteit toeliet, beslissend was niet de opvatting van
Duitschland of wel van onze Regeering betreffende het
zeerecht, hetwelk bë/Z007/'Cl]6 te gelden, maar alleen de
_ vraag, of die particulieren verder gegaan waren dan
l geeischt werd door het zeereeht, dat thans practisch
geldt, en waaraan wij ons feitelijk hadden te onderwerpen ;
en daarvan was geen sprake."
,,Als ik U goed begrijp," bracht ik in het midden,
,,wilt gij zeggen, dat wij hebben moeten bukken voor
feitelijk onrecht, maar dat wij daarbij geen stap verder
zijn gegaan dan uit de beweerde rechtsbeginselen van
de machthebbende partij voortvloeide."
,,Zoó kunt gij de zaak ook stellen," merkte mijn
vriend op, ,,ik zou echter niet te absoluut willen zijn in
die uitdrukkingen recht en onrecht, vooral niet op een
gebied als het volkenrecht, waarop alles nog aan het
evolueeren is. Het onrecht van heden is vaak het recht
van morgen, en omgekeerd, dat weet gij. Maar in zoo-
verre kan ik wel met U meegaan, dat hier van onrecht
mag gesproken worden, omdat door dezen oorlog vrijwel
F ` alles, wat tot dusver als volkenrecht in verdragen was
neergelegd, op losse schroeven is gezet, en omdat van
de vroeger algemeen erkende vrijheid ter zee letterlijk
niets is overgebleven. Maar niemand kan het ons euvel
" duiden, dat wij hebben verkozen ons aan te passen aan
dien minder pleizierigen toestand boven den oorlog, die
_ onzen ondergang zou kunnen tengevolge hebben."
,,Koopman B. geeft dat feitelijk ook wel toe," zeide
ik, ,,waar hij aan zijn theoretisch rechtsstandpunt niet
den plicht vastknoopt van een onverstandig optreden
onzer Regeering, dat is de plicht eventueel zonder meer