HomeBrief aan eenen kiezerPagina 13

JPEG (Deze pagina), 658.13 KB

TIFF (Deze pagina), 6.95 MB

PDF (Volledig document), 20.82 MB

11
stemmen, wie ook, zelfs de geringste en onbeschaafdste onzer
V landgenooten tot Gouverneur-Generaal benoemd, ik zoude het
niet in müne gedachten genomen hebben daarover een afkeu-
rend oordeel uit te spreken, ofschoon ik het regt hiertoe (mits
· de afkeuring als niets meer gelde dan als de uitdrukking van
de meening der meerderheid van een tot oordeelen bevoegd
ligchaam) der Kamer niet zou durven betwisten.
Al ware daarentegen de Minister Müer, formeerder van het
Kabinet en gebonden aan de toezeggingen, op 4 Junü 1866 in
de Eerste Kamer gedaan, tot Gouverneur eener Nederlandsche
provincie of welke andere staatsbetrekking benoemd, ik zoude
gemeend hebben dat, onder de tegenwoordige omstandig-
heden, er reden bestond znne uittreding af te keuren.
Daartoe bestonden te meer redenen met het oog op hem,
die geroepen was züne taak bn het Departement van Kolonien
over te nemen.,
Op 6 December 1862 had de heer Mijer tegenover den
· Minister Uhlenbeck, een man van overtuiging en veeljarige
ambtelijke ervaring, beweerd: ,, De koloniale quaestie is eene
levensvraag voor Nederland en znne overzeesche
bezittingen en hij, die dezelve moet oplossen, staat _
vooraan in de rij der bewindslieden. Indien deze Minister
van Binnenlandsche zaken de ziel genoemd wordt van dit.
Kabinet, dan is het bloot om zijne individualiteit, om den bij-
zonderen invloed, dien hg bezit en sedert jaren op `slands
belangen heeft uitgeoefend, omdat hij is een uitstekend staats-
man. Maar indien men niet ziet op die individualiteit, maar
alleen op het gewigt der roeping van de leden van dit
Kabinet, dan moet, ontwijfelbaar, de Minister van Kolonien de
primus inter pares zijn, dan moet hij staan aan het
hoofd van het Kabinet, dan zon zijne politiek de geheele
Nederlandsche politiek moeten domineren en impulsie geven