HomeDe auteurswet en de Berner ConventiePagina 40

JPEG (Deze pagina), 410.60 KB

TIFF (Deze pagina), 3.43 MB

PDF (Volledig document), 38.82 MB

l
_
34
gi § 104. Klachtclelict, zie: lnbreuk (§ 95).
§ § 105. Koninklijke besluiten, zie: Regee rings-
stukken (§ 185).
§106. Koorpartijen, zie: Orkestpartijen (§ 155).
;· §107. Kritieken, zie: Aankondigingen (§ 2).
l § 108. Kunstnijverheid. De wet verbiedt het open-
baarmaken en verveelvoudigen van werken
3 van op nijverheid toegepaste kunst (Art. IO,
' IC lid, sub 100).
Geaarlaafd is wèl de openbaarmaking of
verveelvoudiging indien deze vanwege de
openbare macht in haren ambtelijken werk- ·
kring is openbaar gemaakt en dat recht niet
uitdrukkelijk is voorbehouden (Art. 11).
Zie: Afbeeldingen (§ 8); Banden
29); Beeldhouwwerken 3,0); Illu-
stratiën 94); Tentoonstellen (§ 205);
‘ Veilingscatalogussen (§ 22I).
· § 109. Kunstwaarde van geschriften, zie: Let-
terkundige- of kunstwaarde (§ 116).
§ 110. Kwitantie, zonder meer, bewijst niet den
eigendom van auteursrecht.
( Zie: Akte 12).
§111. Laatste aflevering. Bij wcrlzm in ayïew-
riwzgm verschenen (als bedoeld in Artt. 38,
39 en 40 der Wet) geldt voor den duur van
het auteursrecht 50 jaar na het verschijnen
‘ van de laatste aflevering (Art. 41).
Onder allevering valt niet te verstaan een
stuk, dat op zichzelf een afzonderlijk ge-
heel vormt.