HomeDe aprilbewegingPagina 9

JPEG (Deze pagina), 700.21 KB

TIFF (Deze pagina), 6.59 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

-.r_ 4 ...-
Maar evenmin zal ik uit verkeerd-geplaatste teêrhartigheid
harde waarheden verzwijgen. "Rondborstigheid, al mogt
ze ten kwade worden geduid, is pligtmatig en onmisbaar,
ik zeg niet, opdat de toedragt der gebeurtenissen, zooveel
mogelijk, met juistheid tot de nakomelingschap worde over-
­ gebragt, maar opdat niet reeds in onze dagen het vader-
land, door verzwijging ot` verbloeming van hetgeen behar-
tiging verdient, van den nuttigen invloed eener duur be-
taalde ervaring worde beroofd "." Ik zou mijn doel bereikt
achten, wanneer innn opstel dit laatste, zij het dan ook in
geringe mate, hielp verhoeden.
I.
Men is veelal gewoon, zich de Aprilbeweging voor te
stellen als een op zieh­zelf` staand verschijnsel, waarvan dan
de oorzaak door sommigen in het herstel der bisschoppe-
lijke hierarchie, door anderen alleen in den kwetsenden toon
der pauselijke allocutie wordt gezocht. Men ziet voorbij
dat, wanneer die beschouwing juist ware, de snelle voort-
planting en bovenal de volstrekte algemeenheid der bewe-
ging een onverklaarbaar raadsel zou zün. lIen ziet voorbü,
dat de spanning hier reeds zeer groot was, toen The Times
ons nog maar het eerste berigt van de herstelling der bis-
dommen had meegedeeld; - dus vóórdat we de pauselüke
allocutie kenden of` over den inhoud verontwaardigd kon-
den zün. Men ziet voorbij, dat vrees voor Roomsehe bis- ti
schoppen, gelijk zich die in de Aprilbeweging openbaarde,
noodzakelijk, evenals alle vrees, met een dieper­liggende
oorzaak moet zamenhangen, waaraan ze haar oorsprong
dankt. Men ziet voorbij, dat heel de geschiedenis van de
laatste jaren niets anders is geweest dan een voorbereiding
der Aprilbeweging; ­ dat gedurig­meer de brandstoffen wer-
den opgehoopt, die vroeg of laat moesten ontvlamnien; -
en dat de kerkregeling der Roomsch-katholieken benevens j
de pauselijke allocutie alleen die ontvlamming een weinig
' Mr. G. Groen van Prinsterer, De ministeriën Thorbecke en de Kempe-
naer, enz. p. 4.
E
‘ z
V l