HomeDe aprilbewegingPagina 78

JPEG (Deze pagina), 789.73 KB

TIFF (Deze pagina), 6.57 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

r·..Q;;;>¤ . Y . -.Y-,--,....,e.. .-... - U- . -......§a..... e.;L­..­.-,;..~... .......-».....~;.a.,(.,»«¤.r-··.ee. .·.z~ ~ ~­ -- ­
uit ’s Hertogenbosch ‘. Hij meende, dat met die uitdruk-
king een staatstoezigt kon zijn bedoeld of voorbehouden,
juist gelijk de Zwolsche afgevaardigde in April 1853 be-
weerde er altijd een bn de Regering ondersteld te hebben; ­
en daarom vroeg hij nadere uitlegging. Ze werd door de
Regering gegeven. En van wat aard was ze? Dat de vrijheid
van het kerkgenootschap werd erkend, " onverminderd onze zorg
dat de wetten Z>e7z00rZ2g`k ncegeleqil en streng geëerbiedigd worden ’."
I De beschuldiging van den Zwolschen afgevaardigde was
( dus ongegrond. 1Vel verre van haar bedoelingen te verber-
` gen, had de Regering, reeds sints meer dan twee jaren,
duidelük verklaard, dat het haar voornemen was, aan de
. kerkelnke vrüheid haar vollen loop te laten, behoudens hare
j zorg om schennis van staatswetten tegen te gaan en te
j straffen. (
T» ’t Is waar, de Regering had in November 1852 ook nog
j iets anders verklaard: "omtrent de wijze en het tüdstip,
waarop die organisatie zal plaats hebben, worden bn het
L Gouvernement ten bekwamen tijde verdere mededeelingen
jl te gemoet gezien 3." En het was in de vorige zitting reeds
l gezegd, en in deze zitting werd het door den minister van
Buitenlandsche Zaken op nieuw verklaard, " dat geene mededee­
lingen, van welken ctctrcl 00k , hadden plaats gehad ”." Het bleek
j dus nu, dat die verwachte mededeelingen , waarop men mis-
j schien zijn hoop had gebouwd, niet ontvangen waren. Maar was
4 dat de schuld van het lijdelijk toezien der Regering? Kon men
dat als een grieve tegen de Regering aanvoeren? WVist men
i dan niet uit de verklaringen , door twee ministers in de vorige
zitting gegeven en nu herhaald, dat de Regering van den
` beginne af op voorafgaande meêdeelingen had aangedron-
gen, en dat ze bg iedere gelegenheid dat verzoek had her-
nieuwd? De Regering was verantwoord; - ze had gedaan
wat ze kon. En ook-nu had ze met geen lüdelgk toezien zich
vergenoegd; ­ het bleek uit een hoogst­belangr§ke mededee-
ling. `We herinneren ons, hoe de minister van Buitenlandsche
Zaken reeds in de zitting van 13 April had verklaard, dat de
· gevoeligheid der Nederlandsche Regering over de ondervon-
ï
1 De heer Luijben.
’ De heer van Sonsbeeck (Handelingen enz., Dl. I, p. 64).
` 3 De heer Strens (idem , p. 150.
^ De heer van Zuijlen (idem , p. 284).
1
i