HomeDe aprilbewegingPagina 77

JPEG (Deze pagina), 812.78 KB

TIFF (Deze pagina), 6.57 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

J K `R 7 R 77 7 ii ii -~¥-ee en
{ -­-­ 72 -- `
_; tractaten, concordaten ‘." Ook zonder haar opzettelük te
i_ weêrleggen, ontzenuwde de Regering die tegenwerping,
i toen ze verwees naar artikel 170 der grondwet, waarin on-
miskenbaar aan den "vreemdeling" het regt was toegekend
t om te doen, wat hü nu had gedaan.
L Nog een andere grieve werd tegen de Regering inge-
` bragt; - een grieve, wel van ondergeschikte beteekenis,
maar wier waardeering noodig is om de goede trouw der
ministers tegen een onverdienden aanval te verdedigen. Men tl
wierp namelijk op de Regering den schijn, alsof ze vroeger (
haar stelsel van lüdelijk toezien beinanteld had en in bewoor- `
dingen ingekleed, die eêr het tegendeel schenen aan te dui-
lj den. Het werd gedaan door een afgevaardigde uit Zwolle. i
Toen in November 1852 de Regering geheel-vrije kerkrege-
ling der Roomsch-katholieken als ophanden had aangekondigd, j
had hg gezwegen. WVaarom had hij dat gedaan? "In de T»
onderstelling, die zeer wel vercenigbaar was 1net de toen
_. door de hlinisters gebezigde woorden, dat er althans eenig-
` zins zou gewaakt worden voor hetgeen uit de nadere me- L
j, dedeelingen blijkt geheel ter züde gesteld te zijn °·’." En wat
zeide dan de minister van Roonisch­katholieke eeredienst in 1
U November 1852? Dat men de bevoegdheid van den Paus
», erkend had om, volgens de grondwet, tot de kerkregeling
I der Roomsch­katholieken over te gaan, maar altijd "behou·­
j dens het grondwettig toezigt tot handhaving der openbare
orde en rust, en de zorg, dat ieder kerkgenootschap zich J
I_ houde binnen de palen van gehoorzaamheid aan de wetten
i van den Staat °." Uit deze laatste woorden maakte de Zwol­ »
sche afgevaardigde zeker op - alleen het gissen is ons ver-
gund, want de Regering liet de beschuldiging onbeantwoord - `
dat er "althans eenigzins zou gewaakt worden" voor het-
7 geen later bleek "geheel ter züde gesteld te zün." Maar die
T j, afgevaardigde was toch ook in 1850 lid der Kamer, en
l herinnerde hij zich dan niet, wat er op den 12dCH Decem­
i ber van dat jaar in zijne tegenwoordigheid was voorge­
vallen? De Regering had toen in een van de gewisselde
, stukken een soortgelijke uitdrukking gebruikt. En juist-die i
uitdrukking wekte kwaad vermoeden bü een afgevaardigde f
dy-- ë
I ‘ De heer Rochussen (Handelingen enz., Dl. I, p. 264).
2 De heer Groen (idem, p. 266).
3 De heer Strcns (idem, p. 150).
t
i