HomeDe aprilbewegingPagina 30

JPEG (Deze pagina), 669.81 KB

TIFF (Deze pagina), 6.65 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB


­- 25 - .
leerrede - tegen "datzelfde Rome, dat ons nu eerst bisschop--
pen, maar later foltering en inquisitie zenden zal ‘," en
­ als zag hij de brandstapels reeds rooken - er onmiddellijk
de vraag op liet volgen: "Wie kon gelooven dat de eeuwen
der vervolging om de godsdienst ooit zouden terugkeeren?"
Tegen den prhs van eenige weinige centen verspreidde men
allerlei martelaarsgeschiedenissen onder het volk. "Hendrik .
Eemkens te Utrecht verbrand," heette het een. "Protestan-­
tenl weest nu wakker, WVant gedenkt aan Jan de Bakker,"
I droeg het ander ten opschrift. In kreupelrüm volgde men
I dat betrenrenswaardig voorbeeld na. Constanter zong, bh
de komst des Konings in de hoofdstad: ·
l "Hij komt, die aan zijn Heldcnstam
( En roemrijke afkomst waard,
I Ons veiligt voor de houtmijtvlam
En ’t inquisitiezwaard 2."
In een "Nieuw Geuzenlied" - niet zonder doel op de
i wijs van een straatliedje 3 vervaardigd, dat alleen door de
{ heffe des volks wordt gezongen - kwamen regels voor als
E de volgende:
Q "Zij hebben ’t weêr voorwaar gezworen,
. Om al wat Geus en Ketter heet,
E Weêr te vervolgen als te voren
Hier Granvel en d’Alva deed;
_ Dan brandt weêr ’t martelvier
Gelijk een lier,
f Dan wacht ons ’t bloedig lot
l Op het schavot 4.”
, Een ander rijmelaar zong:
"Krijgt Rome eenmaal voet, ’t zal ons den nek verbreken,
’k Voorzie dan wee en smart, en martelvuur en zwaard! 5"
Doch genoeg. Reeds lang genoeg moest ik het zede­ j
lük- en het sehoonheids-gevoel müner lezers aan een pijn- I
lijke proef blootstellen. Ik zal waarlijk geen lofrede op _
Rome’s verdraagzaamheid houden. Maar ik acht het be-
treurenswaardig en afkeurenswaardig, dat men in een land ;
‘ G. Barger, Onze voorbereiding tot een heiligen strijd (bij M. Wijt en Zoon).
2 Hij komt (bij Weijtingh en van der Haart).
ii “Ik heb mijn lief al lang verlaten" enz.
"‘ Nieuw Geuzenlied (bij Gebr. Campagne).
” De standvastigheid onzer vaderen (bij C. L. Brinkman) p. 7.