HomeDe aprilbewegingPagina 140

JPEG (Deze pagina), 864.42 KB

TIFF (Deze pagina), 6.66 MB

PDF (Volledig document), 124.97 MB

e ­­ 135 -­­
niigen beweren wel, dat het artikel alleen afschaffing van
het placet ten doel zou hebben; ­ maar de woorden zijn
van geheel­algemeenen aard, het artikel spreekt van de
hoofden der "0nderscheidene" kerkgenootschappen. Anderen
zeggen wel, dat hier alleen van de afkondiging, 611 niet van
de uitvoering van kerkelijke voorschriften sprake is; - maar
wanneer het eerste het laatste niet in zich sloot, dan zou
de verleende vrüheid een ongerijmdheid zijn, een bittere
spotternä, en ze zou geen andere strekking hebben dan om
ik in bepaalde gevallen spanning en misnoegen in den boezem
van een kerkgenootschap nog te doen toenemen. Nog-an-
deren, eindelijk, willen beide die punten wel toegeven, doch
komen met een bedenking van anderen aard voor den dag.
Ze zeggen dat “kerkeli_jke voorsohriften" dezulken zijn die tot
het gebied van de godsdienst behooren, en dat de Staat-alleen
beslist wat al of niet tot dat gebied behoort. Maar tegen
die bedenking gelden twee opmerkingen. Vooreerst, die
leer leidt in haar algemeenheid vanzelf en met logische nood-
zakelijkheid tot het stelsel van regeling der Kerk door den
Staat, een stelsel met dat onzer grondwet in lünregten sträd.
En ten tweede, het gebied der kerkelijke voorschriften is
in de grondwet reeds omschreven. Gehoorzaamheid aan de
wetten van den Staat, ziedaar de pligt, aan de kerkgenoot-
schappen (in art. 169) opgelegd; ­ vanzelf is dus de af-
kondiging en uitvoering straffeloos van alle kerkelijke voor-
schriften die binnen den kring der staatswetten blijven,
terwül de Staat tegen ieder ander voorschrift door straf zün
regt handhaaft. Nu beweert men wel dat de Koning aan zijn
j grondwettige verpligting, om te waken dat de kerkgenootschap-
pen binnen de palen der staatswetten blgven, niet zou- kunnen
voldoen wanneer hij buiten magte was om door praeventieve
maatregelen op hun regeling en inrigting invloed uit te
oefenen. Maar men miskent dan ten eenenmale de strek-
king van het artikel, die geene andere is dan deze: aan te
duiden, dat de kerkgenootschappen door hun volkomen
vrijheid op het gebied der Kerk niet ontheven zgn van de
gemeenregtelijke gehoorzaamheid aan de algemeen­geldende
staatswetten; ­ dat het kerkgenootschap, voorzoover het als
j burgerlijke Vereeniging op het gebied van den Staat treedt,
S onderworpen is aan de algemeene regels die omtrent zulke
j vereenigingen door dezen laatste zijn gesteld. Daarvoor ‘
moet de Koning waken; ~ en inzóóver kan ongetwijfeld aan